Klein meisje in de Killing Fields

Bijna tien jaar geleden verscheen Jung Changs Wilde Zwanen. Hoewel er over de stilistische merites te twisten viel, was het onmiskenbaar een belangrijk boek. Het bracht op persoonlijke en aangrijpende wijze de 20ste-eeuwse geschiedenis van China in beeld. Natuurlijk was hier inmiddels wel bekend hoeveel schade het communisme van Mao in China had aangericht. Maar Jung Chang maakte aan de hand van haar familiegeschiedenis voelbaar wat het betekend had voor de mensen die het meemaakten.

Eerst doodden ze mijn vader van Loung Ung is net als Wilde Zwanen een belangrijk boek. Het is wat bescheidener van opzet en omvang: het omvat geen drie generaties, maar concentreert zich op de periode 1975-1980 uit de geschiedenis van Cambodja. De revolutie van de Rode Khmer, onder leiding van Pol Pot, kostte het leven aan zo'n twee miljoen Cambodjanen, bijna een derde deel van de bevolking. Ze werden geëxecuteerd of stierven een langzame dood van honger en uitputting door dwangarbeid en ondervoeding. Het boek is geschreven als eerbetoon aan de familieleden die Loung op deze manier heeft verloren. Daarnaast laat het zien hoe zijzelf en een aantal andere familieleden deze periode zijn doorgekomen. Dit verhaal is exemplarisch voor wat miljoenen anderen hebben meegemaakt, is haar expliciete boodschap aan het begin van het boek: `Als u destijds in Cambodja had geleefd, was het ook uw verhaal geweest'. In haar opzet om de gebeurtenissen van toen dichterbij te brengen, slaagt ze volledig.

Haar verhaal is zo indrukwekkend omdat het verteld wordt vanuit het perspectief van een klein kind. Loung is vijf jaar als de Rode Khmer haar geboortestad Phnom Penh binnenvalt en zij met haar familie halsoverkop een mooi huis en een comfortabel leven achter zich moet laten. Ze zoeken hun toevlucht op het platteland, waar ze op diverse plaatsen te werk worden gesteld. Voor het zeven kinderen tellende gezin komt er een abrupt einde aan een zorgeloze kindertijd: ze zijn nu medeverantwoordelijk voor het overleven van hun familie. Er volgen lange jaren van angst, ontheemding, honger en vernedering.

Het communistische regime van Pol Pot was duidelijk geïnspireerd op dat van Mao, zo blijkt ook uit Loungs verhaal. Iedere vorm van individualisme en privé-bezit riekt naar verderfelijke westerse kapitalistische invloeden. Iedereen dient zich in dezelfde zwarte kleding te hullen en hetzelfde korte kapsel te dragen. Leren is nutteloos en gevaarlijk: kinderen moeten net als volwassenen zo hard mogelijk werken. Hiervoor moet in werkkampen dwangarbeid worden verricht. In de boerensamenleving van de Rode Khmer hebben alleen goede arbeidskrachten recht van bestaan. Stadsmensen en intellectuelen zijn per definitie verderfelijk. Het dragen van een bril is al verdacht. Etnische Vietnamezen, Chinezen en andere minderheidsgroepen zijn bovendien raciaal verdorven.

Loungs familie hoort zowel tot de verkeerde klasse (middenklasse) als het verkeerde ras (haar moeder is Chinees). Ze weten zich een tijdlang te redden door zich voor te doen als een boerenfamilie en door hun relatief lichte huid in te smeren met houtskool of modder. Ze beulen zich af in de verbouw van voedsel dat ze zelf niet mogen aanraken. Het eten is bestemd om de soldaten te voeden, die zich behalve met het onderdrukken van de eigen bevolking bezig houden met oorlogvoeren tegen het buurland Vietnam.

De familie valt langzaam uit elkaar. De drie oudere kinderen worden verplaatst naar werkkampen elders in het land. Een van Loungs zussen sterft aan buikloop. Dan wordt haar vader afgevoerd om geëxecuteerd te worden. Hij was degene die tot nu toe ondanks alle ontberingen de moed er in had weten te houden. Zijn dood is een drama. Haar moeder kan niet langer voor de vier overige kinderen zorgen en stuurt ze weg. Ze hoopt dat hun kans om te overleven groter is als ze alle drie een andere kant opgaan en zich als wees melden in het eerste werkkamp dat ze tegenkomen.

Het is een harde beslissing, die echter inderdaad het leven van de kinderen redt. De moeder en het jongste meisje, dat ze als enige bij zich heeft gehouden, worden niet veel later om het leven gebracht.

Op zevenjarige leeftijd komt Loung er alleen voor te staan. Ze wordt in een trainingskamp voor kindsoldaten klaargestoomd voor de strijd. Maar als de invasie van de Vietnamezen in Cambodja tenslotte volgt, blijkt dit voor de bevolking eerder een bevrijding te zijn. Loung vindt op wonderbaarlijke wijze haar broer en zuster terug. Uiteindelijk herenigen ze zich ook met hun oudere broers. Met een van hen vlucht Loung naar de Verenigde Staten.

Zonder veel sentiment, en zonder geromantiseer achteraf, zet Loung zichzelf neer als een intelligent, op zichzelf gericht meisje met een sterke overlevingsdrang, die soms ten koste van anderen gaat. Ze laat niet te veel emoties toe, omdat ze zich anders niet kan handhaven. Je moet sterk zijn, houdt ze zichzelf voor, want als je zwak bent overleef je niet. Zo duwt ze haar moeder, die haar bij een van hun laatste ontmoetingen wil omhelzen, van zich af met de woorden: `Ik ben geen baby meer.'

Toch stompt ze niet af: in de meest vernederende en eenzame omstandigheden blijft ze zich herinneren dat haar vader haar de moeite waard vond. Dat ontroerende besef van liefde in tijden van liefdeloosheid houdt haar overeind, evenals haar haat- en wraakgevoelens jegens de Rode Khmer. Ze beschrijft dat ze er per se bij wil zijn als na de invasie van de Vietnamezen twee Rode Khmersoldaten door de wraakzuchtige bevolking eigenhandig terechtgesteld worden. Ze wil hun bloed zien vloeien.

Tegelijkertijd beschrijft ze haar verdriet om de verharding en de verbittering die ze in haar vroeger zo vrolijke en zachtaardige familieleden aantreft. Een van haar broertjes onderwerpt zich dagelijks aan mishandelingen om 's avonds wat extra eten mee naar huis te kunnen nemen. Loung vindt het heel erg als ze hem met blauwe plekken ziet thuiskomen, maar is blij dat hij zich opoffert zodat zij te eten krijgt. Ze vindt het vreselijk om te zien dat haar jongste zusje niet meer groeit door het voedselgebrek, maar ze steelt zelf 's nachts eten uit het familierantsoen waardoor er minder voor haar kleine zusje overblijft. Haar vader merkt het, maar neemt het haar niet kwalijk. Dat maakt dat zij zich nog dieper schaamt. Dit zijn hartverscheurende passages.

Het verhaal van Loung Ung is letterlijk om te huilen, maar het laat ook zien hoe veerkrachtig mensen kunnen zijn in de meest gruwelijke situaties. Het roept associaties op met verhalen uit de Tweede Wereldoorlog, ons dichtstbijzijnde referentiekader voor grootschalige en systematisch georganiseerde wreedheden. Daardoor is het des te wonderlijker om je te realiseren dat Loungs ervaringen zo recent zijn: de auteur is in 1970 geboren.

Loung Ung: Eerst doodden ze mijn vader. Vertaald uit het Engels door Irving Pardoen. Ambo/Anthos, 272 blz. ƒ39,90

Buitenlandse literatuur