Kikkers, kanaries, parkieten, korenwolven

Ik zat te lezen in Versteende wouden (1999), het boek van Wiel Kusters en Jos Perry over de nu bijna geheel verdwenen wereld van mijnen en mijnwerkers. Een geweldig boek: dik, afwisselend, leerzaam, spannend, met plaatjes, over van alles en nog wat de mijnbouw betreffende. Over de angst voor de mijnen, de gevaren, de ongelukken, maar ook over de trots van de mijnwerkers. Over de manier waarop het ondergrondse leven in de loop der tijden is verbeeld, variërend van een duistere hellefabriek tot een vredige zwarte akker waar de mijnwerkerboer met zijn mijnpaard nijver liep te ploegen en kolen oogstte. Over het zwarte goud, het ondergrondse woud en de zegelbomen. Over stoflongen, leesmeisjes en schietmeesters. En over de kanaries. `Wanneer men de toestellenkamer in het Reddingsgebouw van de Staatsmijn Emma binnentreedt, waant men zich in een grote volière. (...) In twee grote ijzeren kooien, die vlak bij het raam in het zonnetje staan, wippen de gevleugelde zangertjes zonder verpozen van de ene tak op de andere. Een vijftigtal kanaries zingen hier hun hoogste lied.' Aldus het tijdschrift Steenkool in 1950 in een reportage. Wat hebben de gevleugelde zangertjes daar te zoeken? `De eigenlijke taak, die dit bonte volkje bij de Reddingsbrigade vervult, is van groot belang. Want bij rampen of brand beneden in de mijn nemen de met masker en reddingstoestel uitgeruste reddingsmannen de vogels in gaaskorfjes met zich mee op hun reddingstochten. Kanarievogeltjes zijn namelijk gevoelig voor koolmonoxyde. Door hun reactie op dit gevaarlijke gas waarschuwen zij de mannen, dat gas aanwezig is.'

Kanaries in de mijn: nooit geweten. En wat een verbluffend gegeven. Eerst al eens door de enorme tegenstellingen: klein geel vogeltje tegenover grote zwarte onderaardse wereld, lieflijk gezang tegenover houweelgeklop, vrolijk symbool van vrijheid tegenover een stenen rijk van gevaar en verstikking. En dan ook nog eens door de wrange wetenschap dat de gele beestjes hun sympathiek geformuleerde `gevoeligheid voor koolmonoxyde' met de dood moesten bekopen. Hun nuttige `reactie op dit gevaarlijke gas' bestond niet uit een opgewekt gefloten drietonige alarmriedel – bij de aanwezigheid van mijngas legden ze meteen het loodje. Als de mijnwerker zag dat de gevleugelde zanger in het gaaskorfje op zijn rug ging liggen, dan wist hij dat hij zich zo snel mogelijk uit de voeten moest maken.

Op de radio hoorde ik een bioloog die opkwam voor de kikker. Aanleiding was de strijd tussen boeren en natuurbeschermers over de breedte van een groene waterstrook ergens tussen twee weilanden in. In die strook moesten kikkers komen en dat had weer iets te maken met natuurbeleidsplannen, habitatrichtlijnen en een of meer ecologische hoofdstructuren. De interviewer vroeg de bioloog waarom hij zo bleef hameren op de kikkers, waarop hij uitlegde dat de aanwezigheid van deze dieren nu eenmaal een ijkpunt was voor de leefbaarheid van het ecosysteem in kwestie.

De kanarie in de mijn en de kikker in de groenstrook hadden iets gemeen. Allebei waren ze graadmeters, met waarschuwingsfunctie. De zogeheten bio-alarmering. Snuffelpalen op pootjes. En allebei vervulden ze hun rol op nogal cruciale wijze: door dood, respectievelijk afwezig te zijn. De kikker en de kanarie hingen om zo te zeggen in de lucht, want opeens hoorde en zag ik ze overal: dieren als aanzeggers van naderend onheil. Knoflookpadden, boomkikkers, wilde hamsters, dassen, korenwolven, otters – de bedreigde dieren werden bijna een plaag, en de symboliek ervan moest wel overslaan naar andere sectoren van de samenleving.

Het tijdschrift Schrijven besteedt in zijn jongste nummer aandacht aan het prozagedicht, een genre dat nauwelijks nog beoefend wordt. Het prozagedicht is, zo zegt de advertentie, `de literaire korenwolf'. Willem Jan Otten in een interview, over de functie van zijn gedichten, temidden van de andere genres die hij ook beoefent: `Mijn gedichten zijn mijn parkieten', met een verwijzing naar de parkieten (of kanaries) van de mijnwerkers. Als er zich niet van tijd tot tijd gedichten aandienen, dan ziet het er voor Ottens proza en essayistiek ook niet best uit, zo weet hij inmiddels. `Zij geven aan of de lucht zuiver is en de weg begaanbaar.' Je zou de kikkers of de kanaries ook wel verwachten in gedichten zelf, omdat gedichten in hun verschijningsvorm en hun verspreiding wel iets gemeen hebben met kleine levende organismen in een verstikkend milieu. Hier volgt een gedicht van K. Michel, uit zijn bundel Waterstudies (1999). Daar zijn meteen al de kikkers – en in de slotregels duiken ook de kanaries op:

Niet alleen in vervuilde gebieden

maar ook in reservaten als Yosemite

Park

sterven wereldwijd de kikkers uit

Komt het door het gat in de ozonlaag

Zijn het de pesticiden in de atmosfeer

Kikkers hebben een doorlaatbare huid

en bij verslechtering van water en lucht

behoren zij tot de eerst verdwijnende

dieren

(Boven de torenflats zie ik een vliegtuig

een lont achter zich aan trekken die

sloom

opbrandt in de roestende avondhemel

En ik ruik de sloot van het Leijpark

dertig jaar geleden, het parelende dril

tussen mijn vingers, de bruinige geur

van de dikkopjes gevangen met Ivo

in de zinken teil achter in de tuin)

In de bar en de wandelgangen van dit

eerste

wereldcongres vragen deskundigen zich

af

zijn kikkers de kanaries in onze

kolenmijn

Het is een vreemd, prozaïsch en op het eerste gezicht clouloos gedicht. Maar bij nadere beschouwing is het moeilijk om in het slot niet een subtiel cynisch commentaar te lezen. Zie het verband tussen het wereldwijde uitsterven in het begin en het wereldcongres aan het eind. Tussen de vliegtuigen die een lont opbranden en het wereldwijd invliegen van de congresgangers. Tussen het water uit de sloot van het Leijpark en de consumpties in de bar. Tussen lopen in de buitenlucht en wandelen in wandelgangen. Ze vragen zich van alles af, de deskundigen, en maken zich zorgen over de kanaries in onze kolenmijn – maar zien niet in dat zij ze zelf van mijngas voorzien.

Wiel Kusters en Jos Terry: Versteende wouden. Querido (1999), ƒ32,50

K. Michel: Waterstudies. Meulenhoff (1999), ƒ31,95

Nederlandse literatuur