Ik werd steeds Japanser

SASEBO CITY/ TOKYO. De ritselaar van Sasebo City heet Papa Music.

Papa Music organiseert evenementen. Ik heb altijd al een zwak gehad voor mensen die evenementen organiseren, vooral als het om onduidelijke evenementen gaat.

Een assistent van de burgemeester en Papa Music haalden ons af van het vliegveld van Nagasaki. Ons, dat zijn Rudi Wester en ik. De andere Nederlandse schrijvers moesten in Tokio blijven op de Book Fair, maar ik had de eer om Sasebo City aan te mogen doen en Rudi Wester begeleidde mij. Of ik begeleidde Rudi Wester, dat hangt er maar van af hoe je het bekijkt.

De assistent van de burgermeester sprak helemaal geen Engels. Hij droeg de koffers en bestuurde de auto. Het Engels van Papa Music beperkte zich tot de eerste levensbehoeften van de mens, zodat de gesprekken al snel vastliepen. Maar gesprekken lopen hoe dan ook vast, dus dat deed er eigenlijk niets toe.

Papa Music had de charmante gedienstigheid die ritselaars overal ter wereld met elkaar verbindt.

In een restaurant iets buiten Sasebo City ontmoetten wij onze tolk, Tombo. Een Japanner die een tijd in New York en Zuid-Amerika ondefinieerbare werkzaamheden had verricht en die nu van plan was die ondefinieerbare werkzaamheden voort te zetten in Noord-Afrika. Een van zijn eerste vragen aan mij luidde `uit welke landen bestaat Noord-Afrika eigenlijk?'

Ik houd van duidelijke vragen, al komen ze de lengte van de conversatie niet altijd ten goede.

Om drie uur stond de ontmoeting met de burgemeester van Sasebo City op het programma. Hoe dichter we bij de burgemeester kwamen, hoe zenuwachtiger Papa Music werd. Toen wij eindelijk de kamer betraden waar de ontmoeting zou plaatsvinden, was er geen burgemeester. Wel vijftien fotografen en een cameraploeg. Als dit roem was – wat ik betwijfelde, ik had het me anders voorgesteld – dan was het roem die berustte op een vergissing. Alle mooie dingen berusten op een vergissing, vooral goede seks. Eigenlijk elke vorm van liefde.

De burgemeester kwam binnen. Er ging een siddering door de zaal. Iedereen stond op. De burgemeester gaf eerst Tombo een hand, want hij dacht dat Tombo de schrijver uit Nederland was voor wie deze festiviteiten waren aangericht.

Zelden heb ik zo intens geluisterd naar beleefdheden. Ik vroeg mij af wat ik moest zeggen, maar gelukkig hoefde ik niets te zeggen. Roem kon zwijgen, dat is het voordeel van de roem. Even ontstond er paniek toen de burgemeester zich afvroeg waar Spinoza geboren was en ik hem het antwoord op die vraag schuldig moest blijven. Ook dat stoorde de burgemeester niet. Na een kwartier maakte hij een einde aan de beleefdheden en overhandigde ons een tas met cadeautjes. De cadeautjes bestonden uit tollen in allerlei soorten en maten. De diepere gedachte achter de tol heb ik nog niet ontdekt. Misschien staat er een grote tollenfabriek in Sasebo City, of zijn vrouw had nog een paar tollen in de kast staan, ik weet het niet.

Met de woorden `ik zie jullie morgen bij de persconferentie', verliet de burgemeester ons.

Daarna was er nog een kort interview voor de televisie dat ook al uit beleefdheden bestond. Ik werd steeds Japanser.

Een vriend van Papa Music wilde Nederland nabouwen in het zuiden van Japan. Zo ontstond er een pretpark genaamd Huis Ten Bosch. In dat pretpark had Papa Music ons ondergebracht. Het Amsterdamse Hotel de l'Europe is perfect nagemaakt, en de kamers zijn in Japan nog groter ook. Maar het beste is de wc. Een wc met een zevental knoppen en een ingebouwde klok met alarm. Ruim een uur heb ik me geamuseerd met de wc.

De brilverwarming vond ik het minste. Maar de buis die uit de pot kwam en die al vibrerend warm water omhoog spoot, daarvoor ben ik 29 geworden.

De persconferentie, het vraaggesprek met de beroemde Japanse schrijver Murakami waarop zeshonderd mensen waren afgekomen, en de fietstocht door Huis Ten Bosch sla ik over. Alleen de eerste vraag uit de zaal na afloop van het gesprek met Murakami wil ik vermelden: `Heeft u wel eens nagedacht over zelfmoord?'

En dat we de volgende dag vier keer herkend zijn, zelfs door een patatbakker. De locale televisiezender van Nagasaki en omstreken wordt kennelijk goed bekeken. Twee Japanse toeristen wilden per se met ons op de foto. Misschien dachten de Japanse toeristen dat wij bij het pretpark hoorden. Dat wij door het park fietsten om het allemaal nog authentieker te laten zijn.

Terug in Tokio was er een diner om kennis te maken met de staatssecretaris van cultuur.

De staatssecretaris zei: `de vorige keer schreef je dat er een mevrouw Van der Ploeg bestond, wil je dat nooit meer doen? Een week lang stonden er geen vrouwen meer voor mijn deur.'

Hierbij wil ik dus vaststellen dat er geen mevrouw Van der Ploeg bestaat, de mevrouw in het gezelschap van de staatssecretaris bestaat niet.

De kroonprins heb ik niet gezien.

Adriaan van Dis wel, als enige van de schrijvers. Misschien ben ik paranoïde, maar ik kreeg sterk de indruk dat men er alles aan had gedaan de kroonprins uit mijn buurt te houden.

Ik kon geen stap zetten of ik kreeg te horen: `en ga je hier over schrijven?' Een woordvoerder die mij met bange oogjes in de lift van het hotel aankeek en vroeg: `heb je al inspiratie opgedaan? Nou ik lees het wel in de krant.'

Nu komt het pijnlijke gedeelte van mijn reis naar Japan.

De schrijfster Els Pelgrom had haar kleinkinderen meegenomen en op een avond zei ze tegen mij: `je moet niet zoveel praten, je moet toetasten, een vrouw heeft ook wel eens genoeg van dat gepraat en jij wilt toch ook wat meemaken.' En daarna wierp zij een nadrukkelijke blik op haar kleindochter, en voegde er aan toe: `en morgen komt er nog zo een'.

Ik vatte dit niet eens meer op als een uitnodiging, dit was een verzoek. Tot drie keer toe heb ik gepoogd een afspraak te maken met de Pelgromkleindochters, het mantra van hun oma steeds maar herhalend. Met glaasjes gingerale heb ik gesleept, naar de meest onbenullige opmerking heb ik geluisterd alsof Montesquieu zelf aan het woord was. Tot drie keer toe zouden ze bellen op mijn mobiele telefoon, maar niets.

Als ik de Pelgromkleindochters nog een keer tegenkom, heb ik besloten, kijk ik dwars door ze heen en eerst wilde ik ook dwars door oma Pelgrom heenkijken, maar ik ben toch nieuwsgierig over wie ze het eigenlijk had toen ze zei dat ik moest toetasten.

En nu volgt de censuur.

Adriaan van Dis zei: `dat ik niet later lees dat ik onzedelijke dingen met je heb gedaan, want ik weet je te vinden.' Het begon allemaal in de keizerlijke tuinen, dat kan ik wel vertellen. Ik herkende de ritselaar. Dat gokken op charme waarin je zelf niet meer gelooft, dat hopen op een zin die een vergissing zal uitlokken.

Dat Ian Buruma, Van Dis en ik in Tokio de uittocht uit Egypte hebben gevierd, dat kan ik ook vertellen. Samen met gestrande joden en eenzamen die dachten `je weet het nooit en je bent toch weer een avond onder de pannen.'

Daarna liepen we als drie vieze oude mannen door Tokio, want de Pelgromkleindochters hadden ook voor de uittocht uit Egypte geen respect.

Ik hoorde nog dat ik ereburger van Sasebo City was geworden, toen vloog ik terug naar New York.

Als eerste belde ik mijn moeder. `Ik heb je boek nu voor driekwart gelezen', zei ze, `bladzijde 187 dat is de meest vieze bladzijde, dat kun je geen literatuur meer noemen.'

`Nee mama', zei ik, `je hebt gelijk.'

Ik begreep dat je niet moest hopen op trots. Op roem en andere vergissingen kon je hopen, zolang er maar iemand was als oma Pelgrom die je aanmoedigde om toe te tasten. Alsof er iets was om toe te tasten.