Fundamentalisme

Het oordeel van Chiel Peeter over De Strijd van God van Karen Armstrong (Boeken 31.3.00) is op enkele punten te ongunstig.

1. Armstrongs definitie van fundamentalisme is wél juist. Of mensen `naar vrede streven [...] op hun voorwaarden', zegt niets. De vraag is veeleer welke rang de vrede in een bepaald waardenstelsel heeft, en bij fundamentalisten is dat de onderste. Voorts is de `voorwaarde dat zij hun gang kunnen gaan en door de staat met rust worden gelaten', door geen staat met enig zelfrespect te vervullen, en derhalve hebben fundamentalisten wel degelijk een principieel probleem met de scheiding van kerk en staat. En tenslotte staat het fundamentalisme als `militante vroomheid in de grote godsdiensten' tegenover andere varianten van vroomheid in deze godsdiensten. Dit is de reden waarom `ideologieën die niet op een religie gestoeld zijn, zoals het communisme en allerlei nationalismen dezelfde karaktereigenschappen vertonen', voorshands niet voor deze benaming in aanmerking komen.

2. De moderniteit van het Spaanse koningspaar Ferdinand en Isabella bestond daarin dat het vooropging in het creëren van de absolutistische staat met het wereldse credo dat algehele eenheid van godsdienst (ook) voor een staat of althans een monarchie een noodzaak was. Fundamentalisme kan dus gepaard gaan met seculiere doelstellingen en moderne methoden van dwingelandij, en dit wil Armstrong betogen.

3. De `American dream' is geen mythe. Een mythe verwijst naar verhalen uit het verleden als houvast voor het heden en richtlijn voor de toekomst, en men gaat aan het probleem voorbij als men stelt, dat `de mythe naar het verleden kijkt, de rede daarentegen zich op de toekomst richt'.