Euro volgt bank niet

De euro bereikte gisteren de laagste koers in haar korte geschiedenis. Sinds 1986, ten opzichte van de Duitse mark, is de dollar niet zo duur geweest. En trekken aan de renteteugels blijkt niet meer te helpen.

De opbeurende woorden van de Duitse bondskanselier Schröder over de 'sprankelende' Europese economie hielpen woensdag niet. De renteverhoging door de Europese Centrale Bank (ECB) een dag later evenmin. De euro zet zijn glijvlucht onverminderd door. Sinds de geboorte heeft de Europese eenheidsmunt meer dan 22 procent ten opzichte van de Amerikaanse dollar ingeleverd. En de vooruitzichten voor de komende maanden zijn weinig positief: zolang de markten meer vertrouwen hebben in de florerende Amerikaanse economie kunnen renteverhogingen de munt nauwelijks stimuleren.

De oorzaak? Los van de ongekend sterke Amerikaanse economie, en de daaraan gerelateerde harde dollar, wijst menig analist met een beschuldigende vinger in de richting van Frankfurt, waar de ECB de plaats van de eens zo machtige Bundesbank heeft ingenomen. ,,De bank bewijst te zijn, waar iedereen zo bang voor was: een compromis-bank'', stelt financieel analist Peter van Doesburg van effectenbank Kempen. Zoals zoveel betrokkenen noemt hij de verhoging van het belangrijkste geldmarkttarief met een kwart procentpunt ,,vlees noch vis''. ,,Ik snap niet hoe men tot dit besluit is gekomen. Als de bank zich op deze manier laat uitdagen, wordt zij vroeg of laat slachtoffer van speculanten.''

De waarde van een munt hangt niet alleen af van de situatie in de reële economie. Natuurlijk, daar moet het geld worden verdiend, maar de combinatie met een duidelijk monetair beleid bepaalt uiteindelijk de waarde van de valuta. En daar lijkt de kneep te zitten. De centrale bankiers van de elf eurolanden bepalen gezamenlijk het beleid, en in de aanloop naar bijvoorbeeld een rentebeslissing worden ook de nationale stokpaardjes bereden. Zo zal president Wellink van de Nederlandsche Bank, gezien de florerende gang van zaken en het hogere inflatiegevaar in eigen land, eerder voor een hogere rente zijn dan bijvoorbeeld zijn Duitse collega: daar draait de economie een tandje lager en kan een hogere rente - waardoor het lenen voor investeringen duurder wordt - alleen maar verstorend werken. Dat is het `eeuwige' belangenconflict waar de ECB mee worstelt. Maar is dat zoveel anders dan bij de Amerikaanse Federal Reserve, zo vraagt men zich bij de ECB af. Ook daar moeten immers de verschillende staten tot een eensluidende strategie komen.

Ondanks de sprankelende economische feiten waarover Schröder dinsdag sprak is de euro momenteel goed in één ding: het breken van laagterecords. Voor Europeanen is de dollar in veertien jaar niet zo duur geweest. Zakenlieden mogen dan uitermate tevreden zijn over de (goedkope) export van dit moment, voor de langere termijn ligt het risico van (geïmporteerde) inflatie op de loer: producten van buiten het euro-gebied worden steeds duurder. En de groeicijfers van de Europese economie mogen dan fraai zijn - vermoedelijk 3,4 procent tegen 2,3 vorig jaar - maar dat blijkt niet voldoende te zijn. Met name uit Duitsland klinkt de roep om noodzakelijke hervormingen van de starre arbeidsmarkt en het belastingstelsel in Europa. Daarbij wordt vooral naar Frankrijk en Italië gewezen. Maar als het herstel van de euro op dergelijk drastische maatregelen moet wachten, dan kunnen de komende maanden nog knap spannend worden.Zeker gezien de ontwikkelingen in de Verenigde Staten. De sterke groeicijfers (5,4 procent) en de gestegen loonkosten (1,4 procent) maken een rentestap van een half procentpunt door de Federal Reserve volgens analisten bijna onontkoombaar, waarmee het geldmarkttarief op 6,5 procent zou komen. Gezien het ECB-tarief (na de verhoging) van 3,75 procent zal de aanzuigende werking van Amerika blijven bestaan.

Formeel is de lage waarde van de euro voor de ECB geen argument om de rente te verhogen. Onder leiding van Wim Duisenberg kijken de centrale bankiers immers alleen naar de inflatie (die onder de 2 procent moet blijven) en naar de geldgroei die maximaal 4,5 procent mag bedragen. Van een wisselkoersbeleid is geen sprake. Pas in februari dit jaar gaf Duisenberg toe dat de lage waarde van de euro een prijsopdrijvend effect in Euroland kan hebben, en dan kan een (te lage) koers wel reden zijn om op de valutamarkten in te grijpen.

En in de verklaring die de ECB gisteren na de rentestap uitgaf wordt de wisselkoers expliciet genoemd. De centrale bankiers kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat ,,het huidige niveau van de euro de sterke economische fundamenten van het eurogebied'' niet goed weerspiegelen. Of de monetaire beleidsmakers zelf van mening zijn dat zij een rol spelen in deze onderwaardering, zoals analisten beweren, vertelt de verklaring niet.