Een teleurgestelde balling in Parijs

Op 30 april 1975 tekende kolonel Bui Tin namens de Noord-Vietnamese regering het decreet tot capitulatie van Zuid-Vietnam. Nu leeft hij als balling in Parijs.

Kolonel Bui Tin zat als journalist van de legerkrant op de eerste tank die op 30 april 1975 dwars door de gietijzeren hekken van het presidentiële paleis in Saigon reed. Omdat hij de hoogste militair in rang was, werd hem gevraagd de overgave van Zuid-Vietnam officieel in ontvangst te nemen. Generaal Big Minh, de negen dagen daarvoor aangetreden president van Zuid-Vietnam, had haast. ,,Wij willen de macht overdragen en hebben al de hele ochtend gewacht'', zei hij. ,,De macht?'', repliceerde Bui Tin. ,,Uw macht is verpulverd. U kunt niet iets overdragen wat u niet bezit''.

Bui Tin stelde zijn Zuid-Vietnamese opponenten gerust toen van buiten het paleis het geluid van geweervuur klonk en generaal Big Minh en zijn delegatie onder de rococo-tafel doken waarop zojuist de overgavepapieren waren getekend. ,,Mijn mannen schieten alleen van vreugde in de lucht. U hoeft niet bang te zijn'', zei hij. ,,Alleen de Amerikanen zijn verslagen. Wij Vietnamezen kennen geen winnaars en geen overwonnenen.''

Maar terug in Hanoi merkte het kaderlid Bui Tin tot zijn ergenis dat de werkelijkheid anders uitpakte dan hij zelf had gehoopt, en dat het communistische bewind de zuiderlingen allesbehalve als `broeders' behandelde . Tweehonderdduizend Zuid-Vietnamezen verdwenen in heropvoedingskampen, waar zij werden gestraft en soms gefolterd voor hun houding tijdens de oorlog. Bijna twee miljoen Zuidvietnamezen vluchtten per boot over zee; tienduizenden kwamen om. Corrupte ambtenaren verstrekten vrijgeleides in ruil voor plakken goud. De zuiderlingen die onder de verzamelnaam Vietcong (Vietnamese communisten) hadden meegeholpen de overwinning op de Amerikanen te behalen, werden al na enkele maanden aan de kant gezet uit angst dat de oorlogsbuit met hen gedeeld gedeeld zou moeten worden. Ook betwijfelden de noorderlingen of die Vietnamezen uit het zuiden wel zuiver in de communistische leer zouden zijn.

Bui Tin raakte diep teleurgesteld. Nee, in zijn krant Nam Dinh geeft daar nooit uiting aan gegeven, zegt hij nu vijfentwintig jaar later. Maar hij heeft wel vrij snel na het ondertekenen van de overgave protestbriefjes geschreven aan functionarissen in de partij en aan generaal Nguyen Vo Giap, de held van de overwinning op de Fransen in Dien Bien Phu en de held ook van deze overwinning op de Amerikanen. Maar er werd niet naar Bui Tin geluisterd. Hij raakte verdacht. Na een bezoek in 1990 aan een congres van de Franse communistische krant L'Humanité mocht hij niet terugkeren. Frankrijk nam hem op als balling en gaf hem een uitkering en een schamele flat.

Nog steeds durft de inmiddels 72-jarige Bui Tin buitenlanders daar niet te ontvangen. Een half uur vóór onze afspraak bij het postkantoor van het Parijse voorstadje Aubervilliers loopt hij al op en neer met een aktetas vol herinneringen. Zijn uitgedunde haar is voor het grootste gedeelte zwart geverfd. In een café bestelt hij mintthee en laat foto's zien uit zijn pas verschenen boek zien, een vertaling van zijn memoires: `Vietnam, la face cachée du régime'.

,,De tien jaren na de val van Saigon waren de ergste. We hebben niets met die overwinning gedaan. Ja, grote industriële complexen gebouwd, dat wel. Maar het overgrote deel van ons volk op het platteland is arm gehouden. Er heerst een voortdurende armoede: ondervoeding, verkeerde voeding, ziektes, matig onderwijs en gebrekkige gezondheidszorg. De tussenhandel ingesteld door de staat, plukt de arme boeren. Na de overwinning waren onze leiders dronken in hun hoofd. We hebben die hele eclatante victorie uit 1975 te grabbel gegooid'', oordeelt Bui Tin bitter.

Hij prijst het hervormingsproces `Doi Moi' dat in 1986 is ingezet, maar de daarop volgende economische opleving heeft niet geleid tot politieke hervormingen. ,,Hoe kunnen we er in het moderne Azië echt bij horen als we niet beginnen met het creëren van een meer open samenleving. Kijk wat er in Indonesië is gebeurd, in Thailand, in Korea, in Maleisië. Maar onze leiders zijn angstig en kijken niet om zich heen.''

In 1991 riep Bui Tin vanuit Parijs in een aantal radiointerviews via de BBC op tot politieke hervormingen in zijn `petitie van een staatsburger'. Hij kreeg veel bijval van luisteraars, maar de regering in Hanoi vroeg hem terug te keren om gestraft te worden voor zoveel vrijmoedigheid. Bui Tin: ,,Zij hoeven niet bang te zijn: ik ga terug. Nu kan het nog niet want ze zullen me dwingen rond te lopen als een doofstomme. Maar de jonge generatie in Vietnam, in Noord en Zuid, 60 procent van de bevolking, pikt het straks niet meer. In twee jaar zal alles anders zijn. Dan kan ik mijn kleinkinderen weer zien en met ze spelen zonder dat er een geheim agent achter me loopt.''

De geheime dienst in Hanoi, Cong An, scheurde afgelopen zomer twee pagina's uit de tweehonderd exemplaren van het Amerikaanse weekblad Time, die wekelijks in Hanoi komen. Bui Tin had in een artikel over Ho Chi Minh kritische opmerkingen gemaakt en de vraag gesteld of Ho's fameuze uitspraak `Niets is waardevoller dan onafhankelijkheid en vrijheid' ook opgaat voor burgerrechten en individuele vrijheid. ,,Als dat niet zo is,'' schreef Bui Tin, ,, dan loopt het heroïsche volk van Vietnam twee eeuwen achter. Arm Vietnam. Arme Oom Ho.'' Daags daarop was het artikel los op straat te koop. Corrupte ambtenaren van de geheime dienst hadden de bewuste pagina's onder het kopieerapparaat gelegd en waren die in korte tijd kwijt voor één dollar per stuk.

Bui Tin vertelt het verhaal met tintelende ogen en een harde lach. Toen hij zijn broer opbelde en vroeg of hij via de diplomatieke post (,,De Fransen helpen me enorm'') een exemplaar zou opsturen naar Hanoi, antwoordde zijn broer dat hij al een afdruk had gekregen via de fax van familie uit Canada. ,,Dat geeft me moed. Er hangt nog een soort ijzeren gordijn rond Vietnam, maar er sijpelt veel door heen. Bovendien raken we langzamerhand echt geïsoleerd in de wereld: zelfs Noord-Korea is nu bereid om te praten met het Zuiden. Wij zijn sinds kort lid van Asean (Associatie van Zuidoost-Aziatische landen). Dat legt ons verplichtingen op. We willen meer buitenlandse investeringen en goede betrekkingen met de vijand van weleer: de Verenigde Staten.''

,,Dat zal ons dwingen op den duur beter voor de rechten van onze eigen burgers op te komen. De oude leiders willen dat nog niet. Zij teren nog steeds op hun oorlogsverleden en vrees lijkt hun mandaat. Maar die oorlog raakt voorbij. Soms staan er in de vroege ochtend ineens twee zakken met rijst voor de deur van ons huis in Hanoi. Er zit een kaartje aan voor mijn vrouw en er staat op: `Geluk met de strijd voor een betere samenleving'. En soms wordt mijn vrouw op de fiets ingehaald en iemand buigt zich voorover en fluistert: `Hoe is het met uw man? Heef hij nog geduld? Uiteindelijk gaan we het samen met hem winnen'.''