Een pijnlijke herwaardering op veel fronten

Internationale instellingen zijn toe aan diepgaand zelfonderzoek. Zware teleurstellingen liggen daaraan ten grondslag. Het Internationale Monetaire Fonds, de waakhond van de kapitaalmarkt, en de Wereldbank, de gangmaker van ontwikkeling in arme landen, hebben het ernstig laten afweten in Azië. De bank had door de jaren heen de dubieuze statistieken van Aziatische cliënten tegen beter weten in gewaarmerkt, het IMF nam, toen het misging, de klanten in de financiële wurggreep, hoewel ze eigenlijk aan het infuus moesten. Omdat de Amerikaanse Treasury dat nu eenmaal zo wilde, is het IMF bovendien veel te lang geld blijven storten in de bodemloze put die Jeltsin in Rusland had uitgegraven. Het instrumentarium, de klantenservice en de betrekkingen met de geldschieters staan bij beide instituten nu ter discussie.

Maar het zijn niet alleen de financiële instellingen die in de spiegel kijken. Onder aanvoering van secretaris-generaal Kofi Annan zijn de Verenigde Naties begonnen aan een kritisch onderzoek van de eigen tactiek en de tot dusver aangewende instrumenten. Zo staat het sanctiebeleid ter discussie. Eens beschouwd als een bruikbaar alternatief voor gewapend ingrijpen, zijn de nadelen van sancties de afgelopen jaren steeds helderder aan het licht getreden. Niet alleen bleek de effectiviteit beperkt, vaak werd ook de bevolking van het gesanctioneerde land slachtoffer terwijl de leiders tegen wie de sancties waren gericht, er zelfs van profiteerden. Sancties blijken illegale handelsstromen te bevorderen waar machthebbers profijt van trekken. Irak en de Balkan leverden niet te miskennen voorbeelden van de averechtse werking van internationale sancties.

Maar er is meer: ook de gangbare `peacekeeping' is aan een herwaardering toe. In twee moedige rapporten die onder verantwoordelijkheid van Annan zijn uitgebracht, ontleden de VN hun eigen falen. Het eerste gaat over de tragedie van Srebrenica, waar duizenden moslims het slachtoffer werden van de Servische terreur, hoewel de Veiligheidsraad deze enclave veilig had verklaard en een Nederlands bataljon blauwhelmen geacht werd die veiligheid te verzekeren. Het tweede behandelt de genocide in Rwanda een jaar eerder, waar de aantallen slachtoffers in de honderdduizenden liepen.

Deze maand heeft de Veiligheidsraad een bijzondere zitting gewijd aan het rapport over Rwanda. Opvallend was dat de Nederlandse vertegenwoordiger parallellen trok tussen het debacle in Rwanda en dat in Srebrenica. Verwijzend naar de slachtpartij in de École Technique Officielle in de hoofdstad Kigali, waar tweeduizend Rwandezen werden vermoord nadat buitenlanders in veiligheid waren gebracht en de VN hun cordon hadden teruggetrokken, zei de ambassadeur: ,,We moeten niet vergeten dat dit is wat Srebrenica en Rwanda gemeen hebben. Het doet er niet toe hoezeer we de robuustheid van onze mandaten vergroten of hoe wijd wij aan hun beperkingen bekendheid geven, we kunnen nooit zeker zijn dat angstige burgers zich niet toch een weg zullen banen naar het terrein van een VN-vredesoperatie en daar bescherming verwachten, afgezien van het wettige mandaat of het fysieke vermogen van die onderneming. Een dergelijke situatie zou opnieuw tot een humanitaire tragedie kunnen leiden. We zouden niet graag de indruk wekken dat wij de manier al gevonden hebben om zeker te stellen dat zoiets nooit meer zal gebeuren.''

De Nederlandse vertegenwoordiger liet het overigens niet bij deze realistische, maar ontmoedigende vaststelling. Uit beide rapporten trok hij vier lessen:

- men zou een vredesproces niet moeten beoordelen als iets van een hogere orde dan (het lot van) de betrokken volkeren;

- men zou niet moeten vasthouden aan een vredesproces waarvan de relevantie verloren is gegaan. Het vredesproces kan dood zijn, in welk geval het conflict (zelf) aandacht verdient;

- men zou aan niet-gouvernementele organisaties meer aandacht moeten schenken, en, misschien, wat minder aan landen met ervaring in de regio. De meeste niet-gouvernementele organisaties beschikken over een rijkdom aan actuele informatie, ter plaatse verworven. Op die grond zijn zij in staat tot een frisse en onbevooroordeelde kijk (op het conflict) en is het niet waarschijnlijk dat zij moordenaars verwarren met slachtoffers;

- gelijke behandeling (van partijen in een conflict) is geen verdienste als er genocide wordt gepleegd.

Deze lessen hebben een hoog `wie-de-schoen-past-trekke-hem-aan'-gehalte.

Het rapport over Rwanda stelt dat troepenleveranciers ervan moeten afzien hun contingent eenzijdig terug te trekken wanneer dat doelwit van aanvallen wordt. Dat is in Rwanda gebeurd met het Belgische detachement. De Belgen vormden de ruggengraat van het 2.500 man sterke VN-vredeskorps UNAMIR. En dat was precies de reden waarom de Hutu-extremisten tien van de Belgen vermoordden. België trok zijn manschappen terug, gevolgd door andere contribuanten. Slechts Tunesië en Ghana handhaafden hun contingenten tijdens de weken dat de genocide duurde.

Na vastgesteld te hebben dat de VN geen oplossing voor dit vraagstuk hebben, vroeg de Nederlandse vertegenwoordiger zich af of juist democratische landen wel het meest geschikt zijn zich als troepenleveranciers op te werpen. Gevoelig als zij zijn voor oproepen in de media en vanuit de politiek tot de terugtocht zodra er slachtoffers vallen onder de eigen militairen. Zo had Nigeria nadat daar vorig jaar de democratie was hersteld, plotseling meer moeite met zijn leidende rol in het Afrikaanse vredeskorps in Sierra Leone.

Alles bijeengenomen blijkt het internationale besturingsmechaniek heel wat minder soepel en doelmatig dan in de euforie van het begin van de jaren negentig werd aangenomen. Met een zekere naïveteit stortte de internationale gemeenschap zich op tal van problemen die nu eindelijk eens konden worden aangepakt. Dat de dadendrang vooral in het Westen gevoeld werd, viel aanvankelijk minder op – vermoedelijk ook omdat de succesvolle oorlog tegen Saddam Hussein met instemming van de Sovjet-Unie, Egypte, Syrië en Saoedi-Arabië kon worden gevoerd. Het was tijd voor `een nieuwe wereldorde'.

Nu, een decennium later, is men `sadder'. Maar ook `wiser'? In ieder geval is een begin gemaakt met een pijnlijke herwaardering op tal van fronten.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.