`De verscheurdheid fascineert me'

Nog voor zijn eerste boek deze week verscheen, werd de Bosnische Amerikaan Aleksandar Hemon uitgeroepen tot een van de schrijvers die de literatuur van de 21-ste eeuw zullen bepalen. Een gesprek met een kosmopoliet, die in vrijheid gelezen wil worden en in elk pessimisme hoop op een betere toekomst herkent.

``In kleine gemeenschappen verspreiden hypes zich als een besmettelijke ziekte'', zegt Aleksandar Hemon met een grijns op zijn gezicht. De vraag was hoe hij er als 35-jarige debutant in is geslaagd om in een aantal taalgebieden tegelijk als `a true international star' te worden gelanceerd. Hemon: ``Zelf heb ik natuurlijk niet voor zo'n beangstigend etiket gekozen – stel je voor dat mijn volgende boek een ster onwaardig is! Ik had een bundel met verhalen, waarvan er één door The New Yorker was geaccepteerd, en die heeft mijn agent rondgestuurd. Als beginnend schrijver verwacht je dat het succes pas komt als je een paar boeken hebt geschreven. Ik heb er in elk geval nooit van gedroomd om over The Question of Bruno interviews te geven tegenover een staande klok in een hotel in Amsterdam.''

Twaalf uitgevers betaalden hoge bedragen voor de bundel van de Bosnisch-Amerikaanse schrijver, die nog vóór zijn debuut vorig jaar door de Engelse krant The Observer werd geschaard onder de `21 auteurs die er in de 21ste eeuw toe zullen doen.' Hemons herkomst – hij werd een balling op het moment dat het beleg van Sarajevo begon – speelde ongetwijfeld een rol; en ook het feit dat hij ervoor had gekozen om in het Engels en niet in het Servo-Kroatisch te schrijven. Maar uiteindelijk zal zijn proza de doorslag hebben gegeven. De acht verhalen in The Question of Bruno (vertaald als Wat is er toch met Bruno?) zijn niet alleen helder van stijl en ondanks de beschreven gruwelijkheden humoristisch van toon, ze zijn bovenal origineel in vorm en inhoud. Een autobiografische terugblik op het Joegoslavische platteland onder Tito wordt gevolgd door een Monty Python-achtige levensbeschrijving van een fictieve Joegoslaaf, en door de jeugdherinneringen van een eenzame jongen die denkt dat zijn vader een spion is. Een ultrakort verhaal verbindt een accordeon uit het bezit van de familie Hemon met de moord op aartshertog Franz Ferdinand in 1914. En behalve over een vrouw tijdens het beleg van Sarajevo lezen we over een hulpeloze Bosnische immigrant in Amerika.

Twee verhalen werden door Hemon voorzien van een uitgebreid notenapparaat, een vervreemdingseffect dat doet denken aan de annotaties in Nabokovs Pale Fire en dat Hemon in de pers vergelijkingen opleverde met de Russische immigrant die ook direct in het Engels ging schrijven. ``Het is een compliment om in één zin samen met Nabokov genoemd te worden'', zegt Hemon; ``hij is een van mijn literaire helden, al was het alleen maar omdat hij sublieme immigrantenromans als Pnin en The Gift heeft geschreven. De verscheurdheid die hij beschrijft fascineert me, misschien omdat ontheemding de keerzijde van de afkeer van nationalisme is. Toen ik laatst voor een tijdschrift mijn favoriete schrijvers op een rijtje zette – Nabokov, Kafka, Babel, Danilo Kiš, Bruno Schulz – zag ik dat het merendeels Oost-Europese joden zijn van wie nauwelijks valt te zeggen tot welke cultuur of literatuur ze behoorden.''

Verband

Aleksandar Hemon, een mannetjesputter met kort haar en een hand in het verband (``ruw behandeld tijdens een photo-shoot''), weigert zichzelf Serviër te noemen. ``Zo'n aanduiding reduceert je tot je etnische afkomst. Ik ben Amerikaan en Bosniër, mijn vader was half Oekraïens, en als je nog verder teruggaat, zoals ik heb gedaan in mijn verhaal `Een prettig gesprek', kom je in Frankrijk uit.''

Na een beschermde jeugd in Tito's Joegoslavië en een studie vergelijkende literatuurwetenschap aan de universiteit van Sarajevo werkte Hemon als journalist voor de krant Nasi Dani en Radio Sarajevo. Een studiereis naar de Verenigde Staten maakte hem in 1992 een balling in Chicago: ``Door een writerly coincidence zou mijn vliegtuig naar Bosnië vertrekken op de dag dat de Serviërs het beleg van Sarajevo begonnen. Ik besloot in Chicago te blijven, en hoefde me gelukkig geen zorgen te maken over mijn ouders: die waren op diezelfde meidag de stad uitgevlucht en zijn al snel naar Canada geëmigreerd.''

Van een klassieke cultuurschok zegt Hemon geen last te hebben gehad; hij had een beeld van Amerika uit films en boeken en daar bleek de realiteit in zijn nieuwe vaderland eigenlijk niet van af te wijken. ``Individualisme, vrijheidsliefde, materialisme – het is allemaal een fluitje van een cent. Waar je als immigrant de meeste moeite mee hebt is de perception overload, het bombardement van alle dingen waarvan je de naam niet kent en alle details van het dagelijks leven waar je geen raad mee weet: van de wc-pot die anders is tot het lichtknopje dat niet zit waar je het verwacht. In mijn verhaal `Blinde Jozef Pronek en de dode zielen' heb ik over die overdaad aan indrukken geschreven, maar ik moet erbij zeggen dat ik me sneller en handiger heb aangepast dan de hoofdpersoon. Ik hou wel van details.''

De beslissing om fictie in het Engels te schrijven, terwijl Hemon (met het in Bruno opgenomen verhaal `Leven en werk van Alphonse Kauders') net enige naam in het Servo-Kroatisch had opgebouwd, was een `wanhoopsdaad'. Hemon: ``Ik ben opgegroeid in een cultuur waarin de nadruk werd gelegd op het belang van de eigen taal. Maar taal is onverbrekelijk verbonden met de ervaring van alledag; hoe langer de oorlog in Bosnië duurde, hoe sterker de taal veranderde en hoe meer ik er los van kwam te staan. Toen heb ik mezelf vijf jaar gegeven om in het Engels te schrijven; en die deadline heb ik niet overschreden.''

In Wat is er toch met Bruno? staan vier verhalen over een jongetje in het Joegoslavië van voor de burgeroorlog, die wemelen van de nostalgische en absurdistische maar ook gruwelijke details. Hemon erkent dat een jeugd in de maatschappij van de dictator Tito een writer's goldmine is. ``Maar goud kun je overal vandaan halen. De inspirerendste jaren in Joegoslavië waren die vlak na het ophalen van het IJzeren Gordijn in 1989, toen de implosie van het communistische systeem een vloedgolf van creativiteit teweegbracht. Van de schrijvers die toen gevormd zijn, zullen we de komende jaren nog veel horen.''

Overigens, zo beklemtoont Hemon, moeten we ons van het autobiografisch gehalte van zijn verhalen niet te veel voorstellen; iets wat de lezer op basis van de tegenstrijdige jeugdherinneringen en absurde wendingen in Bruno al had kunnen concluderen. ``Hoe interessant mijn leven ook is geweest, men zou tot tranen toe verveeld raken als ik me zou beperken tot autobiografie – en ik trouwens ook. De lezers en ik hebben recht op meer.''

Forrest Gump

De merkwaardige titel van Hemons debuutbundel is ontleend aan het langste verhaal uit de bundel, `Blinde Jozef Pronek en de dode zielen'. Hierin brengt de naar Amerika geïmmigreerde hoofdpersoon een bezoek aan de familie van zijn vriendin, om in verwarring te worden gebracht door haar dementerende oma, die voortdurend vraagt naar de Bruno die ze in tragische omstandigheden (een concentratiekamp?) is kwijtgeraakt. De `question of Bruno' raakt volgens Hemon de kern van zijn boek. ``De verhalen in Wat is er toch met Bruno? gaan over mensen die gemist worden of mensen die worstelen met hun identiteit. De fictieve Alphonse Kauders, die je mag omschrijven als de Forrest Gump van de Joegoslavische geschiedenis, is de belichaming van de man die overal en nergens thuis is. Zoals Pronek het symbool is van de immigrant tussen wal en schip, die eindigt als een dode ziel in de transitzone van het vliegveld.''

Pastiche

Op de vraag of het somber eindigende `Blinde Jozef Pronek' een pastiche is op de klassiek-Amerikaanse rags-to-riches story, antwoordt Hemon dat hij eerder zou spreken van een update van de immigrantenroman. ``Uit het doorsnee van-krantenjongen-tot-miljonairverhaal wordt nogal wat weggelaten, bijvoorbeeld dat de meeste eerste-generatie-immigranten hun hele leven niets anders zijn dan de goedkope arbeidskrachten waar Amerika zo'n behoefte aan heeft. De heersende moraal werkt dat ook in de hand. Anders dan in de Balkan is het nationalisme in de VS niet transcendent: je hoeft er niet geboren te zijn om Amerikaan te worden. Je wordt Amerikaan door hard te werken.''

Is Hemon een pessimist? Zijn visie op Amerika (en op de toestand in Bosnië) roept associaties op met de uitspraak van `Oom Julius' in het openingsverhaal van Bruno: `Wat is het leven anders dan een opeenstapeling van rampen?' Hemon: ``Ze zeggen wel dat een optimist een uninformed pessimist is, maar volgens mij is het precies omgekeerd. Zelfs de grootste pessimist heeft een notie van de toekomst, en is optimistischer dan hij zelf zou toegeven. Ik mag dan veel over dood en verderf schrijven, zolang ik naar de dag van morgen kijk, beschouw ik mezelf als een optimist.''

Nog minder dan een pessimist wil Hemon een postmodernist genoemd worden – al geeft hij grif toe dat hij zich nogal wat vrijheid in zijn manier van vertellen veroorlooft. Zo zijn er verschillende verhalen waarin het perspectief plotseling wisselt of een alwetende verteller de touwtjes in handen neemt; terwijl in `Blinde Jozef Pronek' een niet nader gespecificeerde `wij' commentaar op de gebeurtenissen levert. Toch is dat volgens Hemon niet bedoeld als trucje om de lezer ervan te doordringen dat hij een literaire constructie zit te lezen. Hij heeft er een mooiere reden voor. ``Anders dan in een totalitaire staat worden verhalen in een democratische samenleving niet van bovenaf gedicteerd. En dat is een groot goed: fixed narratives zijn gevaarlijk, die leiden maar tot rigide opvattingen en conflicten. Mijn verhalen worden niet bepaald door één verteller; je moet ze op verschillende manieren en in alle vrijheid kunnen lezen. Als dat postmodern is, then so be it.''

Aleksandar Hemon: The Question of Bruno. Picador, 230 blz. ƒ55,35.