De duivel is altijd nuchter

Waarom wil een blanke Amerikaanse man van middelbare leeftijd, met een academische opleiding en een succesvolle carrière als journalist en schrijver, toch, diep in zijn hart, liever een indiaan zijn?

Ian Frazier geeft op die vraag een ontwapenend eerlijk antwoord aan het begin van On the Rez, zijn ontroerende en humane verslag van het leven op het Pine Ridge reservaat van de Oglala Sioux in Zuid-Dakota. Ja, hij draagt zijn haar in een paardenstaart, geïnspireerd door indiaanse activisten uit de jaren zeventig, bekent hij, maar hij heeft geen behoefte om indiaanse kleren te dragen of mee te doen aan pow wows, laat staan opgenomen te worden in een stam. Wat hem aantrekt in de Oglala, en in indianen in het algemeen, is hun stoïcijnse afstand tot de dominante blanke cultuur, hun autonome `gevoel van vrijheid'. Indiaans Amerika, meent Frazier, is het laatste stukje land waar het kapitalistische `programma' nog niet totaal regeert.

Deze schrijver wil, kortom, een mentale indiaan zijn. Zo toont hij zich al op de eerste pagina's van dit boek, dat het kaliber heeft van een kleine Amerikaanse klassieker, onmiskenbaar een kind van de jaren zestig, de tijd dat de indianen een nieuwe, op Rousseau geënte statusverhoging beleefden als dissidenten in een commerciële wereld. Frazier laat zich door die romantiek beïnvloeden, maar gelukkig slechts zelden meeslepen; in het essay waarmee het boek opent, beweert hij nog wel dat de Amerikaanse Revolutie deels te danken is aan de indianen, die de kolonisten een democratisch voorbeeld voorhielden: `Dankzij de indianen leerden we dat we niet hoefden te knielen voor George III'.

Nu hebben Benjamin Franklin en andere aartsvaders van de Revolutie inderdaad verwezen naar de egalitaire organisatie van indiaanse naties, maar dan vooral om hun eigenlijke inspiratiebron, de Europese Verlichting, aan de hen omringende praktijk te toetsen. Bovendien school ook in hun verwijzingen naar de Irokezen en andere stammen, al een `nobele wilde'-romantiek die minder geïnteresseerd was in de werkelijkheid van de indianen dan in hun retorische potentieel.

On the Rez wordt door zulke incidentele overdrijvingen allesbehalve bedorven. Daarvoor is dit subtiele boek te eerlijk, te geduldig, te menselijk en ook te pijnlijk. Frazier, die naam maakte met de Amerikaanse bestsellers Great Plains (1989) over de desolate prairie-staten, en Family (1994) over het gezinsleven, geeft met flarden reportage, oral history en beschrijvende passages een indringend beeld van het leven op het Pine Ridge reservaat. Hij trekt op met bevriende indianen, die schaamteloos van hem profiteren, rijdt met hen in wrakkige auto's over het reservaat, doet inkopen, en geneert zich openlijk als zijn vrienden hém een keer opzoeken, in zijn welvarende blanke Suburbia. Zijn empathie voor hen gaat niet ten koste van zijn vermogen tot observatie. Hier is een indianenvriend aan het woord die hen nu eens niet gebruikt als spiegel voor zijn eigen culturele obsessies, of als materiaal voor suikerzoete New Age propaganda.

Door de fragmentarische en losse opzet vergt dit boek wel iets van de lezer, die ergens over de helft door Frazier persoonlijk wordt opgeroepen geduld met hem te hebben. In de meer conventionele delen, die de persoonlijke reportage afwisselen, geeft Frazier een sober en feitelijk overzicht van de indiaanse geschiedenis, de organisatie van de reservaten, en hun huidige toestand. We komen te weten dat er 570 door de federale overheid erkende stammen bestaan, die minder dan een procent van de bevolking uitmaken en gezamenlijk 4 procent van het grondgebied innemen. Een derde van hen leeft nog steeds onder de armoedegrens, ondanks de veelbesproken `Indiaanse renaissance' van de jaren negentig. Steeds meer stammen – maar niet de Oglala – hebben inkomsten uit toerisme en drijven casino's op hun grondgebied; indianen hebben immers nog steeds een unieke legale status in de VS en op reservaten, die veelal niet gebonden zijn aan lokale wetgeving, mag worden gegokt. De casino-inkomsten, zeven miljard dollar in 1997, hebben een aantal kleinere stammen, zoals de Massachussets Pequots, steenrijk gemaakt, maar de meeste indianen gebruiken de opbrengsten om broodnodige investeringen in hun gemeenschap te betalen. Intussen zijn veel reservaten – vooral in het westen waar ze rijk zijn aan bodemschatten – een prooi voor grote bedrijven op zoek naar olie, kolen, of uranium.

Pine Ridge, op de winderige vlaktes van Zuid-Dakota, heeft een reputatie als het meest deprimerende reservaat in de VS. Het heeft een gewelddadige geschiedenis, van het bloedbad bij Wounded Knee in 1890, toen de Amerikaanse cavalerie een groep voortvluchtige Sioux afslachtte, tot de factiestrijd tussen indiaanse hervormers van de American Indian Movement en knokploegen van tribal president Dick Wilson in de jaren zeventig. Wilson, een zetbaas van ranchers en ondernemers die het `langharig tuig' van de AIM wilden weren, voerde een crimineel schrikbewind dat meer dan honderd slachtoffers maakte. Die totale anarchie is verdwenen, de onderlinge factiestrijd is geluwd, maar nog steeds zijn de leefomstandigheden op het reservaat ronduit miserabel. Een nieuwe, maandenlange protestactie tegen de misstanden op het reservaat trok eerder dit jaar in de Amerikaanse pers al nauwelijks meer aandacht. `Er is zoveel zo ontzettend mis op Pine Ridge', verzucht Frazier aan het eind van zijn relaas, `dat er eigenlijk maar één woord voor is: kwaad.' Tussen het kwaad van de geschiedenis, de sociale versplintering en economische ontreddering, zoekt Frazier op de tast naar lichtpuntjes, naar iets van de stoïcijnse trots en onafhankelijkheid die hem in de Oglala aantrekt.

Een glimp ervan vindt hij in zijn moeizame vriendschap met Le War Lance, een drifter met een drankprobleem die hij op straat in New York ontmoette. Frazier blijft hem volgen, geld lenen, en naar zijn sterke verhalen luisteren. Het leidt tot vele pregnante scènes, zoals die waarin Frazier met een aantal Oglala-mannen naar oude westerns kijkt op televisie en merkt dat zij familieleden herkennen in de anonieme krijgers die van hun paarden worden geschoten. `Het had bij me moeten opkomen dat die rollen gespeeld werden door echte mensen, met echte namen', noteert hij.

Ook Fraziers beschrijving van het alcoholisme op het reservaat is onnadrukkelijk en juist daardoor extra indringend. De bermen liggen bezaaid met lege flessen, auto-ongelukken onder invloed van drank zijn aan de orde van de dag. Een apart hoofdstuk van On the Rez gaat over drinkplaatsen als White Clay, Nebraska, waar blanke ondernemers `indiaanse bars' dreven. In Billings (Montana) waren zoveel bars, aldus Frazier, `dat je in midwinter kon beginnen te drinken, en in de lente nog bezig kon zijn'. Bars zonder opsmuk, de krukken vastgeschroefd in de vloer om schade te voorkomen als de gemoederen hoog opliepen. Het drijft Frazier tot een noodkreet die doet denken aan Allen Ginsberg: `White Clay! White Clay! Plaats van zoveel vuistgevechten, aframmelingen, schiet- en steekparijen! Eén-na-laatste halte van zoveel verongelukte auto's! Vuilnisbelt van lichamen, maalstroom die de Oglala opslokt!' Veel bars zijn nu verkocht of failliet, zodat de Oglala hun alcohol nu inslaan langs de snelweg. `Als de duivel bestaat, is hij waarschijnlijk nuchter', denkt Frazier na een bezoek aan een blanke drankhandel die drijft op indiaanse klandizie.

Ruim over de helft van zijn boek, richt Frazier de aandacht op een hoopgevender rolmodel dan Le War Lance. Een meisje, de charismatische basketbalster SuAnne Big Crow, een toonbeeld van vitaliteit en engagement, die haar leeftijdgenootjes van de drank hield, de volwassenen inspireerde en zelfs racistisch joelend blank publiek bij een uitwedstrijd wist stil te krijgen. Frazier ziet in haar een indiaanse `heldin', zoals de Sioux die vroeger kenden, maar meer nog: SuAnne was een verpersoonlijking van de Amerikaanse Droom. Het liep alleen, opnieuw, niet goed af. Frazier bezoekt de plek waar de 17-jarige SuAnne in 1992 omkwam bij een auto-ongeluk. SuAnne dronk niet, ze werd het slachtoffer van een andere slechte gewoonte op the rez: geen gordel om.

De herinnering aan SuAnne wordt bewaard in het Big Crow Center voor indiaanse jongeren, dat draait zonder subsidie en waar diverse kampen op het reservaat samenwerken. Tussen het overvloedige kwaad in Pine Ridge is dat een inspirerend voorbeeld van het goede dat Frazier er op zijn humane zoektocht ook heeft ontdekt.

Ian Frazier: On the Rez. Farrar, Straus & Giroux, 311 blz. ƒ65,-

Emacipatie