Dansen voor de sh-ogun

`De onsen moeten den Japander na de mond zien en alles (omme den handel onbecommert te mogen gauderen) verdragen.' Deze regel van de directie van de Oost-Indische Compagnie aan de gouverneur-generaal in Batavia, is kenmerkend voor de eerste 250 jaar van de Japans-Nederlandse betrekkingen. Het was de periode waarin de Nederlanders op het eilandje Deshima volstrekt afhankelijk waren van de commerciële, diplomatieke en ceremoniële voorschriften van de Japanners. Na de openstelling van Japan in 1859 veranderde de relatie en werd Nederland meer dan voorheen leraar; Japan werd een gretige leerling op het gebied van technologie, rechten en geneeskunde. Toen de leerling genoeg geleerd had, veranderde de verhouding opnieuw en werd Japan wat het Nederland verweet te zijn: een imperialistische agressor. De aanval op Nederlands-Indië zette een dikke streep onder de geschiedenis. Die is nog steeds voelbaar, al zijn de verhoudingen formeel gezien opperbest.

Deze ontwikkelingen worden in enkele grote en vele kleinere hoofdstukken door in totaal zestig auteurs beschreven - zowel Japanners als Nederlanders - in Bewogen Betrekkingen, het boek dat Teleac heeft uitgegeven bij de gelijknamige televisie-serie. Het is een mooi werk, kundig geschreven en geredigeerd en verrijkt met veel zeldzame prenten en tekeningen. De bijdragen getuigen van grote kennis van zaken, gecompliceerde ontwikkelingen worden goed uitgelegd zonder dat de nuances verloren gaan. Zo worden de veranderende verhoudingen in Azië in de zestiende eeuw beschreven, toen Japan zich aan de invloed van China wist te onttrekken, de katholieke westerlingen de deur wees, zich afsloot van de wereld en een autarkische koers ging varen.

Schuld

De Nederlanders traden in die context min of meer toevallig in contact met Japan. Dankzij hun commerciële instinct en hun soepele, on-principiële omgang met Japanse gewoonten kregen zij als enigen (naast de Chinezen) een handelsconcessie. Ook die handel en de talloze problemen die daarbij kwamen kijken worden op heldere wijze uiteengezet. Interessant zijn de hoofdstukken over de culturele uitwisseling. Met vallen en opstaan leerde een aantal Japanners Nederlands, waarna ze zich verdiepten in de natuurwetenschappen, de Nederlandse taal en vooral de geneeskunde. Zo sijpelde de Europese cultuur door middel van Nederlandse boeken Japan binnen. Omgekeerd had de beïnvloeding een bescheidener karakter. In de voorname huishoudens werd Japans porselein en lakwerk uitgestald. Gegoede heren hulden zich binnenshuis in de `Japonse rok', al kon die ook in India zijn gemaakt. Enkele verzamelaars legden collecties Japonica aan. Maar echt iets leren, dat was er niet bij. De Japanners waakten er dan ook voor dat de Nederlanders niet te veel van het land zagen. Slechts een aantal zeer geïnteresserde personen in dienst van de VOC wilde en kon, door middel van persoonlijk contact met Japanners, inzicht krijgen in hun cultuur.

De sfeer van wederzijdse nieuwsgierigheid ging aan het eind van de negentiende eeuw verloren. De twintigste eeuw, zeker de eerste helft, is een spiegelbeeld van de voorgaande driehonderd jaar. Wederzijdse fascinatie slaat om in wederzijds wantrouwen. Nu lezen we minder over culturele uitwisseling, maar des te meer over de politieke betrekkingen, de Japnse expansie, het streven van Japan naar een Aziatische emancipatie (die neerkwam op een verlangen naar japanisering van Azië), over de groeiende anti-westerse houding en de aanval op Nederlands-Indië. Ook de na-oorlogse verhouding komt aan bod. Daar zet Karel van Wolferen uiteen hoe problematisch het begrip `schuld bekennen' voor Japnners is en hoe hun rol in de Tweede Wereldoorlog uit hun geschiedenisboeken is weggepoetst.

De Europese fascinatie met Japan heeft bestaan sinds de Middeleeuwen. Marco Polo schreef er al over en Columbus was feitelijk op weg naar Japan, maar het waren uiteindelijk de Portugezen die de eerste contacten wisten te leggen. Het is opvallend dat ondanks die fascinatie er minder in het westen doordrong dan mogelijk was geweest. Talloze beschrijvingen zijn nooit openbaar gemaakt. De VOC had het niet erg begrepen op openbare rapportages door haar personeel. Andere handelscompagnieën zouden daar immers hun voordeel mee kunnen doen.

Hofreis

Zo is nu pas De hofreis naar de sh–ogun van Japan uitgegeven, een reisverslag dat het Opperhoofd van Deshima, Jan Cock Blomhoff, in 1818 op zijn hofreis naar de Japanse hoofdstad Edo maakte. Het verscheen in een mooie uitgave van uitgeverij Hotei. Hoewel dit dus een persoonlijk verslag is, geschreven naast het dienstrapport, leest het niet bepaald als een familiaire brief van een man aan zijn vrouw. In een zakelijke stijl rapporteerde Cock Blomhoff aan zijn Titia hoe de reis verliep. Toch is het interessant dat dit manuscript nu openbaar gemaakt is, temeer daar het uitvoerig is geannoteerd en er talloze objecten zijn afgebeeld die Cock Blomhoff had verzameld en die uiteindelijk zijn terechtgekomen in het Museum voor Volkenkunde te Leiden.

Het had niet veel gescheeld of een ruim honderd jaar eerder geschreven standaardwerk, De Beschryving van Japan door Engelbert Kaempfer, was eveneens nooit in druk verschenen. Kaempfer is een intrigerende figuur geweest, wiens werk tot diep in de negentiende eeuw werd geraadpleegd. Hij werd geboren in 1651 in Lemgo in Westfalen, studeerde wijsbegeerte en medicijnen en reisde na zijn studie naar Zweden. Daar werd hij secretaris van een gezantschap dat werd uitgezonden om handelsbetrekkingen aan te knopen met het hof van Perzië. Via Moskou trok men over land naar Isfahan waar onderhandelingen plaats vonden. Kaempfer besloot niet mee terug te reizen, maar trok op zijn eentje naar Basra, ging aan boord van een Nederlands schip en belandde in Batavia. De VOC benoemde hem tot arts met standplaats Deshima. Via Siam reisde Kaempfer naar Japan waar hij van 1690 tot 1692 verbleef. Tweemaal maakte hij de hofreis naar Edo mee.

Tijdens zijn reizen heeft Kaempfer uitvoerige aantekeningen gemaakt en veel getekend. Bevriende Japnners gaven hem bovendien boeken en prenten. Hij kon dan ook in 1693 naar Europa terugkeren met de grootste hoeveelheid kennis over Japan die toen in het westen aanwezig was. Hij vestigde zich weer in Lemgo met de gedachte om een encyclopedisch standaardwerk te schrijven en publiceerde in 1712 zijn Amoenitates exoticae, een boek over Rusland, Perzië en Japan. Hij schreef ook zijn grote boek over Japan, maar tijdgebrek - hij werd lijfarts van de graaf van Lippe -, huiselijke moeilijkheden en geldgebrek verhinderden dat hij het persklaar kon maken. Hij stierf in 1716.

Nu zou zijn erfenis verspreid, zo niet weggegooid zijn, als niet in Londen een van de allergrootste verzamelaars van zijn tijd, de arts Hans Sloane (wiens collectie de kern zou gaan vormen van het British Museum) jaren na Kaemfers dood, zowel diens manuscripten als diens collectie had gekocht. Hij liet het Duitse manuscript van Kaemfers boek over Japan in het Engels vertalen. De Engels editie verscheen in 1727 en was zo'n succes, dat ook andere uitgevers wakker werden. Zo verscheen in 1729 dit boek zowel in het Frans als in het Nederlands; de laatste vertaling is nu in facsimile heruitgegeven door Van Wijnen. Een gelukkig initiatief, want Kaempfers boek is nog alleszins leesbaar. Bij de uitgave zal nog een aparte inleiding verschijnen en het is te hopen dat daarin de verhouding van de oertekst tot de eindttekst ter sprake komt. Nauwkeurige vergelijking van Kaempfers aantekeningen met zijn eigen Duitse versie en met de Engelse editie heeft uitgewezen dat er nogal wat veranderingen in de tekst zijn aangebracht. Die zijn deels te verklaren uit Kaemfers eigen compositorische ingrepen, deels uit het verkeerd interpreteren van zijn moeilijke handschrift.

Sprookje

Het monumentale boek (500 pagina's folio en 45 platen) zit systematisch in elkaar en bevat vijf grote delen. Het eerste behandelt geografie, geschiedenis, economie, klimaat, plant- en dierkunde en delfstoffen. Dan volgen in aparte delen de staatsinrichting, de religie, en de koophandel, met name die in Nagasaki. In het vijfde boek beschrijft Kaempfer in detail de twee hofreizen die hij heeft meegemaakt. Hij besluit met beschouwingen over thee, papier en de moxa, een plantaardige stof met geneeskrachtige werking. Tot slot vat hij Japan nog eens samen als een buitengewoon gelukkig land, dankzij de afgelotenheid, de autarkie en de politieke stabiliteit.

Kaempfer is een goede waarnemer geweest, begiftigd met een sterk geheugen en `een nieuwsgierige en navorschende lust om alles te onderzoeken', zoals de inleidende biograaf opmerkt. Hij beschrijft onderhoudend, gedetailleerd en nauwkeurig wat hij zag of wat hij had gehoord, zonder vooringenomenheid. De enige keer dat hij een glimp van ironie over de Japanse gewoontes laat blijken is bij zijn beschrijving van het ritueel rond de ontmoeting met de sh–ogun. Dat hoogtepunt van de hofreis laat zich lezen als een spannend sprookje. De sh–ogun zit in de Grote Gehoorzaal, enigszins in het duister, en via een tolk en een hofmaarschalk ontwikkelt zich een omslachtige conversatie. De plechtigheid ontaardt tenslotte, aldus Kaempfer, in een klucht wanneer aan de Nederlanders `duyzend belachelyke en ongerymde vraagen' worden gesteld. Kaempfer zelf moet bijvoorbeeld antwoorden op vragen over zijn ziekten en over de geneesmiddelen die hij daarbij had aangewend. Hij schrijft dan dat hij wist dat Japanners geïmponeerd raakten door lange en moeilijke namen en noemt dan ook als het ultieme geneesmiddel Sal volatile Oleosum Sylvii, olieachtig vlugzout van dokter Sylvius. De Japanners noteren dat letter voor letter. Vervolgens wordt de Nederlanders gevraagd hun mantels af te leggen en om allerlei handelingen te verrichten: lopen, stilstaan, dansen, springen, een dronkaard uitbeelden, gebroken Japans spreken, Hollands lezen, schilderen en zingen. Kaempfer doet dat alles naar beste eer en geweten en maakt ook zelf een dansje, terwijl hij een Duits minnelied ten gehore brengt. Zo, met dergelijke apenspelen, schrijft hij, lieten wij ons gebruiken tot vermaak van de keizer. Maar hij heeft hier wel, zoals zovele andere leden van gezantschappen voor en na hem, meegeholpen om de Nederlands-Japanse handel te laten `gauderen'.

L. Blussé, W. Remmelink, I. Smit: Bewogen Betrekkingen. 400 jaar Nederland-Japan. Teleac/NOT, 288 blz. ƒ59,90 (bij de boekhandel of telefonisch via 0900-1344)

F.R. Effert en M. Forrer: De hofreis naar de sh–ogun van Japan. Naar een persoonlijk verslag van Jan Cock Blomhoff. Hotei Publishing, 133 blz. ƒ49,50

Engelbert Kaempfer: De Beschryving van Japan.Van Wijnen, 500 blz. ƒ249,50; na 31 december 2000 ƒ325,-

    • Roelof van Gelder