Compositie van Henze geurt naar bloei en verrotting

Tovenarij, magie, exclamatie, pathos en clownerie zijn de ingrediënten die Hans Werner Henzes muziek naar eigen zeggen al jaren vergezellen. Gisteravond in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg nam zijn Zevende Symfonie, in 1983-'84 gecomponeerd voor het eeuwfeest van de Berliner Philharmoniker, na de pauze drie kwartier in beslag. Voor Henze geldt dat alles naar het theater beweegt of beter: alles komt er vandaan en keert er weer in terug. Zo droeg de Derde Symfonie titels als `Anrufung Apolls' en verwerkte hij in de Vijfde delen uit zijn opera Elegie für junge Liebende.

Ook de Zevende heeft een sterk theatrale inslag zwelgend in pathetiek, het meest opmerkelijk in de finale die is geïnspireerd door Hölderlins gedicht Hälfte des Lebens. In een oude traditie slaat deze opeens om van een dronken makende warmte in een sprakeloze kilte. Hölderlins lijdensweg in het krankzinnigengesticht inspireerde op realistische wijze het voorgaande scherzo.

Henze heeft een obsessie voor erotiek en dood, voor sensualiteit en vernietiging. Zijn muziek geurt zowel naar bloei als naar verrotting. Spelen in het eerste dansante deel de zes trompetten een hysterische rol, zoals ze dat ook in de finale zullen doen, geleidelijk aan vragen de lage instrumenten de aandacht zoals Heckelphon, contrafagot, bas- en contrabasklarinet en bas- en contrabastrombone. Van een hymnische aanroeping van Apollo zoals in de Derde Symfonie lijkt in de finale even sprake als een schoonheid van verre, als een vage herinnering, maar al spoedig verandert dat en verloopt de symfonie in een regelrecht ondergangsvisioen. Het is me dan ook een raadsel dat Hans Peter Krellman er desalniettemin een optimistische compositie in zag, levensvreugde hoor ik er niet aan af. Die zware zoete en bij wijle barstend benauwende sfeer, bleek zeer besteed aan Markus Stenz, hij is er door en door mee getrouwd, december 1999 verving hij trouwens in dezelfde symfonie Gergjev bij het Rotterdams Philharmonich Orkest.

Voor de pauze werd er uit een geheel ander vaatje getapt. Zoltán Kocsis begon in Bartóks Derde Pianoconcert mild en mijmerend, maar dat bleek helaas een schijnbeweging, want gaandeweg koos hij steeds meer voor de Bartók als ruige folklorist. Het bonkend accentuerende orkest, dat meer heide dan begeleidde, reageerde navenant, alleen al die liefdeloze inzet van de fuga in het slotdeel... Gelukkig was er weer wel – alsof er steeds andere orkesten aantraden – een kamermuzikale kwaliteit te bespeuren in het o, zo broze ...quasi una fantasia... opus 27 nr. 1 in 1989 gecomponeerd voor piano en ruimtelijk opgestelde kleine instrumentale groepjes. Dat heeft weliswaar delen als lamentoso en disperato, die Henze-achtig aandoen, maar de Hongaar is uitermate broos en intiem en een forte dient hier alleen maar om het weerloze van instrumenten als blokfluit en mondharmonica des te beter te doen uitkomen. Die hebben dan ook het laatste woord in wondertjes aan klankboetsering. Tovenarij en magie zijn ook hier de trefwoorden, maar dan zonder pathos – dramatiek ja, pathetiek nee.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Markus Stenz met Zoltán Kocsis piano. Werken van Kurtág, Bartók en Henze. Gehoord: 27/4 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht. Herh. 28/4 Concertgebouw Amsterdam. Uitz. Radio 4 28/4 rechtstreeks.