`Bonger trof mij enorm'

De gastheer van Koningin Beatrix morgen in Leiden, burgemeester Postma, over W.A. Bongers' `Problemen der demokratie'.

Heel Leiden is oranje en de toren van het stadhuis is versierd met rood-wit-blauwe bollen. In de van historie doordrongen burgemeesterskamer zetelt Jan Postma, die ruim een jaar geleden zijn functie van Secretaris-Generaal op het Ministerie van Financiën verruilde voor het burgemeesterschap. Hij formuleert zijn antwoorden aan de hand van zorgvuldig voorbereide getypte aantekeningen. ``Ik heb Problemen der demokratie van W.A. Bonger in 1966 aangeschaft'', zegt Postma, ``en dat was niet toevallig. Ik heb altijd veel belangstelling gehad voor geschiedenis, politiek en maatschappelijke vraagstukken. De economische depressie tussen de twee wereldoorlogen intrigeerde mij in het bijzonder, en vooral om die reden ben ik economie gaan studeren. In 1966 werd ik, als student van drieëntwintig, lid van de gemeenteraad van Groningen – een functie die ik acht jaar zou vervullen. Het was een tijd waarin de hele maatschappij in beweging was. D66 werd opgericht, er was vaak onrust in Amsterdam, vrijheid van demonstratie was een issue en in de gemeenteraad werd het instituut openbaarheid van commissievergaderingen en van schriftelijke vragen ingevoerd. Het was een tijd waarin er ten principale over de democratie werd nagedacht.''

``Bonger schreef zijn boek in 1934, dus ten tijde van de economische depressie. Zelf was ik vanuit de theorie ineens in de praktijk beland en zat middenin de discussies over de democratie. Bongers boek trof mij enorm. Het was niet zo maar één van de vele boeken en pamfletten over democratie die er op dat moment in omloop waren. Het was een fundamentele beschouwing over dit onderwerp, waarin de auteur ook beschreef hoe de democratie functioneerde in de oudheid en in de middeleeuwen. Zijn stelling was dat het streven naar democratisch functioneren in ieder mens en in iedere groep aanwezig is en hij illustreerde dat met het verenigingsleven en het democratisch systeem dat veel natuurvolken kennen. Bonger had een hele sterke mening over democratie in een tijd waarin dit principe geweldig werd aangevallen, zowel uit communistische als uit fascistische hoek. De democratie had het recht en de plicht zich daar hard tegen te verdedigen.''

De Amsterdamse socioloog-criminoloog Willem Adriaan Bonger (1876-1940), die na de capitulatie zelfmoord pleegde, was sinds 1897 lid van de SDAP. Hij had al lange tijd het voornemen zijn ideeën over de relatie tussen massa en leiders vorm te geven en schreef Problemen der demokratie, zo zegt hij in zijn voorwoord, `naar aanleiding van de gebeurtenissen die zich enige tijd geleden in de Amsterdamse politiek hebben voorgedaan, waarbij een viertal sociaal-demokratische gemeenteraadsleden tussentijds hun ontslag hebben genomen op grond van een votum der Federatie Amsterdam der S.D.A.P.' In het algemene gedeelte van het boek ondersteunt Bonger de aanspraken der democratie. In het tweede deel behandelt hij specifieke moeilijkheden in de `demokratie in het staatsleven, de arbeidersbeweging en het bedrijfsleven'.

``Bonger was criminoloog, een man van de wetenschap, die lange tijd politiek heel actief was'', zegt Postma, ``In zijn boek neemt hij stelling in het zogenaamde loonconflict, een verschil van mening binnen de Amsterdamse SDAP, waarbij het ging om de vraag of de lonen van de gemeenteambtenaren moesten worden bijgesteld – naar beneden, wel te verstaan. De SDAP verschilde daarover van mening met zijn fractieleden in de gemeenteraad. Bonger gaf de raadsleden gelijk. Volgens de principes van de representatieve democratie was hij van mening dat, wanneer het partijprogramma geen duidelijkheid biedt, de raadsleden zelf beslissingen moeten nemen en daarvoor de verantwoordelijkheid dragen.''

``Bonger was het prototype van de SDAP-intellectueel. Er werd in die tijd in de socialistische partij een groot onderscheid gemaakt tussen de intellectuelen en de andere partijleden. Onderling verschilden die intellectuelen erg van elkaar. Denk aan Gorter en Roland Holst die later uit de SDAP zijn gestapt omdat ze een eigen, veel extremere partij hebben opgericht. Bonger behoort tot de revisionisten, de gematigden. Hij vond dat de SDAP zo snel mogelijk in de regering moest komen, legde de nadruk op het aanvaardbaar maken van de partij voor de grote middengroepen en op de parlementaire democratie. De vakbeweging vond hij heel belangrijk, maar moest niet gelieerd zijn aan een politieke partij. Wetenschap en politiek liepen bij hem door elkaar. Zijn wetenschappelijke artikelen in de Socialistische Gids, waarvan Bonger jarenlang hoofdredacteur was, zijn vaak ook politieke stellingnames. Het socialisme zou, naar zijn mening, niet tot stand komen door actie van de massa, maar door zorgvuldig na te denken over de organisatie van de maatschappij. Daarin is hij heel sterk verwant met het ingenieursdenken van Tinbergen en Vos. Hij vraagt zich voortdurend af hoe de maatschappij moet worden ingericht om haar optimaal te laten draaien.''

``Problemen der demokratie is in sommige opzichten nog heel actueel, bijvoorbeeld als het gaat om het kiezen van niet-leden van de raad tot wethouder. Bonger stelt dat het in sommige gevallen wel handig zou zijn als dat mogelijk was. Onlangs verscheen het rapport van de Commissie Elzinga, die in eerste instantie was benoemd om de kwestie van de al of niet gekozen burgemeester te onderzoeken. Het rapport is veel breder geworden en licht eigenlijk de hele gemeentelijke democratie door. Eén van de punten daarbij is dat de Commissie vindt dat het mogelijk zou moeten zijn om wethouders van buiten de raad te benoemen. Een ander voorstel betreft de benoeming van de burgemeester. Ik denk dat er in de kamer nu wel een meerderheid is voor een dwingender recht van aanbeveling vanuit de gemeenteraad, een aanbeveling waar de minister dan eigenlijk niet omheen kan. Ook dat is een punt uit het boek van Bonger. Wat ik wel in zijn historische overzicht miste, was de hele lijn van Thorbecke. Het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid, het feit dat ook ministers ontslagen kunnen worden en niet meer alleen dienaren zijn van de kroon – die kennis is toch eigenlijk onmisbaar als je iets van onze huidige democratie wilt begrijpen.''

Enkele jaren geleden schreef Postma voor het Biografisch Woordenboek van Nederland een korte biografie over Ed Polak, die in de jaren dertig Amsterdams wethouder van financiën en cultuur was. ``Ik leef me nog steeds graag in die tijd in. Het interesseerde me hoe die man, die geen enkele opleiding had, raadslid en later wethouder werd. Hij moest in die moeilijke tijd van economische depressie hele impopulaire maatregelen nemen en kwam daardoor politiek in de problemen. Het is een tijd, een denkwereld die mij blijft interesseren en dat is toch mede de invloed van Bonger. Om het heden te begrijpen, moet je eerst het verleden kennen.''

W. A. Bonger: Problemen der demokratie. Een sociologische en psychologische studie. N.V. De Arbeiderspers, 1936.

    • Margot Dijkgraaf