Zwarte bladzijden

Ze heten er Willink, Weenink, Ribbink of Temmink en wonen in een dorp waar de tijd stil is blijven staan. Want in Winterswijk wordt over de oorlog nog altijd gedacht als in de dagen van goed en fout, al zou je dat laatste niet zeggen als je over de Grote Markt loopt. Het ziet er zwart van de Duitsers; dagjesmensen die net over de grens hun boodschappen doen. Een vertrouwd beeld, want de Achterhoek wordt aan drie zijden door Duitsland omringd en van oudsher is er een druk grensverkeer. Ook het `Oranjegevoel' tiert er welig. Een van de etalages van boekhandel Kramer is zelfs volledig ingericht met biografieën van leden van het koninklijk huis. Daarentegen staat in de andere etalage de nieuwste opium van de niet-werkende moeder, in de vorm van grote stapels van de hype-roman `De gelukkige huisvrouw'.

Pal achter de Grote Markt ligt het bestuurscentrum: stadhuis, postkantoor, banken en twee oorlogsmonumenten. Hier ruik je voor het eerst de veendampen die in het nabije verleden het dorpsleven hebben vergiftigd. Winterswijk was tussen 1935 en '45 een oord waar de geschiedenis op een geheel eigen wijze binnen zou walsen, al worden de dorpelingen daar tot op de dag van vandaag liever niet aan herinnerd. In 1935 behaalde de NSB bij de Statenverkiezingen 20,4 procent van de stemmen, terwijl het landelijk gemiddelde 7,93 procent was. De NSB-stemmers waren voornamelijk onkerkelijke middenstanders en boeren, die het nationaal-socialisme begroetten als een `nieuwe dageraad in een wereld van economische malaise en geestelijke crisis', zoals de socioloog G.A. Kooy het treffend beschreef.

,,Veel boerenmiddenstanders in Winterswijk waren eerst lid van de Vrijzinnig Democratische Bond'', zegt streekhistoricus Henk Krosenbrink. ,,Maar toen die zich op de arbeiders richtte en vond dat het voedselpakket goedkoper moest worden, liepen veel boeren over naar de NSB, vooral nadat die het boerenprogramma van de Vrijzinnig Democraten had overgenomen.''

Het dorp heeft behalve een aantal fanatieke landwachters ook twee getalenteerde NSB-propagandisten voortgebracht: dominee E. Reeser en de veearts dr. W.P.C. Bos, die in 1942 burgemeester zou worden. Maar merkwaardig genoeg is er in 1943 ook de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) opgericht. De LO verzorgde zo'n 300.000 onderduikers in het hele land. Opmerkelijk is dat er onder hen maar weinig joden waren; de LO was in de eerste plaats bestemd om mannen voor de tewerkstelling in Duitsland te behoeden. Om de kleine 300 gedeporteerde Winterswijkse joden hebben zich klaarblijkelijk maar weinigen bekommerd. Behalve het monumentje op de joodse begraafplaats en de kleine synagoge is er niets dat aan hun aanwezigheid herinnert.

Krosenbrink: ,,Er zat een aantal joden ondergedoken in Winterswijk. Maar u moet bedenken dat we in het begin zo weinig wisten. De eerste jaren van de bezetting waren heel rustig en gingen stapje voor stapje voorbij. Het enige grote drama was dat er in mei '40 zestien militairen uit Winterswijk waren gesneuveld. Ik begon me pas te realiseren dat er erge dingen aan de hand waren toen de gymnastiekleraar van de HBS waarop ik zat, werd opgepakt.''

In de boekwinkels in het dorp vind je bij de afdeling streekgeschiedenis niets over Winterswijk in oorlogstijd. De biografie die Krosenbrink van dr. Bos schreef, lijkt haar weg naar de boekhandel zelfs nooit te hebben gevonden. Het boek is besmet, omdat de officiële presentatie van deze studie in maart 1995, tijdens de herdenking van de bevrijding van het dorp, tot een rel heeft geleid. Burgemeester C. Stigter (PvdA) kon toen rekenen op felle kritiek, omdat zij bij het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar geen gewag maakte van het lot van de Winterswijkse joden. Niet zo diplomatiek, zou je zeggen, maar toch zeker geen reden om haar een maand later te weren bij de dodenherdenking op de joodse begraafplaats. Krosenbrink op zijn beurt ontving dreigbrieven en werd voor landverrader uitgemaakt. ,,De Museumvereniging en ik dachten nonchalant dat het boek wel kon verschijnen op de 50ste verjaardag van de bevrijding. Maar we hadden het mis'', zegt Krosenbrink. ,,Een aantal Winterswijkers zei `U had dat boek niet moeten schrijven. Die ellende moet u niet meer oprakelen'.'' En dat terwijl de Bos-biografie juist zo'n helder inzicht geeft in de politieke situatie in het Winterswijk van voor en tijdens de oorlog. Je kunt het dan ook eerder merkwaardig noemen dat de biografie van Bos zo lang op zich heeft laten wachten, zeker na lezing van wat Loe de Jong in 1976 al schreef in zijn `Koninkrijk': Bos ,,heeft bij de bescherming van de plaatselijke Joden (die hij hielp onderduiken) zelfs `zeer groot persoonlijk risico' gelopen.'' Bos, die na de oorlog tot vijf jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, vestigde zich daarna als veearts in Driebergen, waar hij de paarden van de koninklijke stallen behandelde.

Een NSB'er die de plaatselijke joden redt. Is dat niet een diepe barst in het starre goed/fout-beeld dat in Winterswijk en ongetwijfeld in veel andere plaatsen in Nederland nog altijd heerst? Van een man als Bos zou ik alles willen weten, omdat het laat zien dat lang niet alle NSB'ers tot de categorie `echt tuig' behoren en sommigen zelfs het predikaat `held' verdienen.

In de trein terug moest ik denken aan kruidenier Verburg uit de Amsterdamse Beethovenstraat. Tot in de jaren negentig boycotten buurtbewoners zijn winkel, die na 1954 geleid werd door zijn zoon en vervolgens door zijn kleinzoon, omdat zij meenden dat Verburg sr. fout was geweest. Je zag zelden een klant in die winkel, hoewel je er lekkere kaas kon kopen en de jampotjes er nergens zo mooi bij stonden als daar. In werkelijkheid was kruidenier Verburg NSB-lid tussen 1933 en 1938, en had hij zijn lidmaatschap opgezegd uit protest tegen de terreur van de partij. Zijn vrouw had tijdens de oorlog zelfs talloze joden geholpen, iets waar ze nooit mee te koop heeft gelopen. Voor veel van die `goede' buurtbewoners zou ik overigens mijn hand niet in het vuur durven steken.