Voor oorlogsjournalistiek bestaat geen leerschool

Een kwart eeuw geleden kwam in Vietnam een einde aan de `eerste televisie-oorlog'. Sindsdien hebben veel journalisten bericht uit oorlogsgebieden elders in de wereld. Maar ondanks alle goede voornemens blijft het voor de journalistiek moeilijk in een oorlog overeind te blijven, meent Willebrord Nieuwenhuis.

In zijn boek Across the River and into the Trees laat Ernest Hemingway een Amerikaanse kolonel in Venetië na de Tweede Wereldoorlog zeggen: ,,je wordt in dit vak niet verondersteld een hart te hebben''. Dat gold in Vietnam ook. Het was de eerste oorlog waarbij journalisten vrij ongestoord hun werk konden doen en er bovenop stonden, ook bij de meest bloedige gevechten. De Amerikanen of soms de Zuid-Vietnamezen vlogen je na een taxi-rit naar het vliegveld 's ochtends braaf in naar de plek waar het zou gaan gebeuren. Als de beschieting van een gehucht of een luchtbombardement nog niet goed op film was vastgelegd, lieten de Amerikaanse begeleiders soms die actie nog eens dunnetjes over doen voor de kijkers thuis. Leven telde voor Aziaten nu eenmaal toch minder hoorde je ze denken.

Vijfentwintig jaar geleden, op 29 april 1975 kwam de Amerikaanse aftocht uiteindelijk toch nog als een verrassing. De veertig schepen van de Zevende vloot lagen al dagen voor de Zuid-Vietnamese kust. Alles moest zo snel dat trouwe Vietnamese medewerkers van de Amerikanen bloedend van het hek van de ambassade werden afgetimmerd en toegang tot het helikopterveldje boven op het dak van de ambassade werd ontzegd. In de Mekong Delta lieten Amerikanen landgenoten in de steek en kreeg hun Vietnamese personeel helemaal geen kans te vluchten.

Wat moesten de journalisten doen? Vanuit Hilversum hadden we al een paar keer de opdracht gekregen te vertrekken maar hoe kon je een reportage opgeven op het moment van de grote ontknoping? Fons van Westerloo, Kees Colson en ik besluiten om zoveel mogelijk van die laatste dag te filmen en dan toch maar te hollen. Er is weinig kans dat de communistische toezichthouders ons dadelijk gewoon laten werken en gelegenheid geven te seinen, te telefoneren of de belichte 16-mm film te versturen. Wie wil nog vliegen op Saigon na de inname?

Maar als laat in de middag de grote helikopter door de rode schemer en de oranje inslagen van de artillerie opstijgt en we achterover worden gedrukt tegen een muurtje van weekendtassen en plunjezakken krijgt onze aftocht toch iets lafs. De tolken en de cameralieden en de geluidsmannen en de taxi-chauffeurs, het hotelpersoneel en de Zuid-Vietnamese journalisten moesten het daar beneden allemaal zelf maar uitzoeken. Wij kozen, onder bescherming van Amerikaanse mariniers, het hazenpad.

Verslaan van het conflict was lastig geweest omdat een journalist in Vietnam nauwelijks kans kreeg tegenstanders te spreken. Het communistische Noord-Vietnam kwam je als westerling niet in en leden van de Vietcong (verzamelnaam van de vijand, vertaald: Vietnamese communisten) in het Zuiden organiseerden slechts mondjesmaat sessies met journalisten. Je moest laveren tussen al die propaganda. Voor de 5.100 journalisten uit 64 landen, die in Vietnam tussen 1962 en 1975 vaak maar voor enkele weken aan een stuk hun werk deden, bleef het voornamelijk een Amerikaans verhaal. Zelden kwamen zij, wij Nederlandse journalisten incluis, toe aan een analyse over wat in de hoofden van die Zuidvietnamezen omging. Ik kreeg al bij het begin van acht reizen tussen '65 en '75 de indruk dat zij zich weliswaar inzetten voor de Amerikanen maar toch met een schuin oog naar Ho Chi Minh keken en de weg naar het Noorden niet compleet wilden afsnijden.

De thuisredacties die in het begin van de jaren zestig Amerika nog als de grote bevrijder zagen, riepen in 1967 met de demonstranten mee in koor: ,,Johnson moordenaar, Peace now''. Het gemak waarmee vanuit Nederland eerst de Amerikaanse doelstellingen in Vietnam werden toegejuicht, en later even kritiekloos Ho Chi Minh in de armen werd gesloten, achtervolgde je in Vietnam. Die vooringenomenheid maakte de uitoefening van het verslaggeversvak knap lastig, terwijl het al moeilijk genoeg was door je onmacht hoe met oorlog om te gaan.

Is dat vijfentwintig jaar later allemaal makkelijker en beter of verliest een journalist in oorlogstijd die onmacht nooit? In ieder geval trekt hij of zij er nu goed voorbereid op uit. Kijker, lezer en de journalisten ter plekke zijn door Internet en CNN, door snellere journaals en radio-bulletins beter geïnformeerd. Maar nog wordt in tijden van crisis in Hilversum niet optimaal samengewerkt. En niet alleen van daaruit maar ook van krantenredacties krijgen de eigen mannen en vrouwen in het veld te vaak te horen wat concurrerende media niet allemaal brengen en of dat niet snel in de eigen onafhankelijke berichtgeving in te passen valt.

Na alle openheid in Vietnam konden in de Golfoorlog de duizenden journalisten alleen verslag krijgen van een kluitje collega's, door militairen geselecteerd en op excursie meegenomen naar het terrein van de kortste oorlog. In Tsjetsjenië, in Kosovo en in Bosnië kregen journalisten soms alleen de kans om met één van de twee partijen op te trekken en bleef het verslag vaak fragmentarisch. En recent, in datzelfde Tsjetsjenië, vielen net als in Vietnam journalisten voor de verleiding om een propagandafilm van een misleidend commentaar te voorzien, om zo de eigen held uit te hangen.

Srebrenica, waar de Nederlandse landmacht zonder slag of stoot duizenden moslimmannen liet afvoeren naar vernietigingsakkers en enkele dagen later in Zagreb uitbundig de eigen bevrijding vierde, kwamen Nederlandse journalisten er niet in toen de zaak begon te knijpen. Nederland heeft tegen die kneveling bij de Verenigde Naties, die het commando voerden, nooit geprotesteerd of zelf maatregelen durven nemen. Tijdens de bombardementen op Kosovo kondigde een Britse staatssecretaris van Defensie aan dat Nederland een Servische Mig uit de lucht had geschoten, maar de luchtmachtvoorlichting in het Zuid-Italiaanse Amendola mocht pas uren later besmuikt toegeven dat het inderdaad was gelukt. De Nederlandse vliegers moesten 78 dagen hun mond houden.In Kosovo wilden de Nederlandse Gele Rijders afgelopen zomer geen enkele informatie geven, beducht als ze waren dat de `Russen kwamen' en hun werk in Orhanovac overnamen.

,,Oorlog is een te belangrijke zaak om hem alleen aan militairen over te laten'', zegt de Franse staatsman Georges Clemenceau. Hij heeft gelijk en daarom ligt daar altijd een zware journalistieke taak. In het veld blijkt dat oorlogen een grote aantrekkingskracht hebben. Allereerst op degenen die ze voeren maar ook op zwarthandelaren, de mafia en andere profiteurs, op avonturiers, meedogenloze propagandisten en journalisten. Per slot van rekening blijft oorlog een dijk van een verhaal dat je niet had willen missen. Met een kleine portie durf maar onverklaarbare drang iets van het oorlogsrisico te willen delen, komt de journalist in een maalstroom van geweld, gelegaliseerde moord, uitbuiting, uitspattingen en valse propaganda. Ondanks alle technologische vooruitgang op het vlak van de communicatie, blijft het voor een journalist lastig zich in die helse omstandigheden overeind te houden. Er bestaat gelukkig geen leerschool. Misschien moet de journalist zijn onvermogen met die waanzin wel koesteren, of in ieder geval accepteren.

Willebrord Nieuwenhuis is redacteur van NRC Handelsblad en auteur van het boek `Vietnam de nooit verdwenen oorlog' dat eerder deze maand verscheen bij uitgeverij Balans.