Trou Moet Blycken

Eden

Staan daar nog in Eden êrens,

verlate soos 'n stad in puin,

met poorte grusaam toegespyker,

deur eeue die mislukte tuin?

Word daar nog die swoele dae

deur swoele skemering en nag vervang

waar donkergeel en purper vrugte

verrottend aan die takke hang?

Sprei daar ondergronds 'n netwerk

soos sierkant deur die rotse heen:

die sware, onontgonne riwwe

van goud en onikssteen?

Vloei daar deur die natgroen struike

nog met kabbeling wat ver weerklink,

die viertal glasblink waterstrome

waarvan geen sterfling drink?

Staan daar nog in Eden êrens,

verwaarloos soos 'n stad in puin,

gedoem tot langsame verrotting

deur eeue die mislukte tuin?

Ina Rousseau (geb. 1926)

Waarom zijn er zoveel grote dichteressen in het Afrikaans? Omdat de vrouwen daar, heb ik wel eens gedacht, een grotere taalgevoeligheid konden ontwikkelen. Terwijl hun mannen op kantoor of zakenclub met hun collega's mechanisch op het Engels overschakelden, verfijnden de vrouwen thuis gestaag hun Afrikaans, de taal van de kinderen en het personeel. Een taal van fantasie, spel en aardse zaken. Zo kan het gekomen zijn. Het is maar een vermoeden.

In elk geval is Ina Rousseau zo'n groot dichteres. Ze heeft in haar leven niet meer dan zes bundels gepubliceerd, maar elke bundel lijkt het resultaat van zorgvuldige rijping en weloverwogen compositie. Ze verdedigt in haar gedichten op meedogenloze wijze de illusie, ze veegt de vloer aan met de hoop zonder uiteindelijk de laatste strohalm te vernietigen een poëzie van sterke contrasten. Als ze met een scherp fileermesje alle hypocrisie heeft weggeschild blijft er een des te sterker kern van zuiverheid over. Zuiverheid die weer is voorbestemd om vuile handen te maken. Lees bij voorbeeld haar gedicht Die huisvrou, waarin vier strofen lang een vrouw wordt beschreven die in haar keuken bloemen knipt en kneust en ontwortelt, groenten in stukken snijdt en verbrandt, een vis ontleedt en chirurgisch het hart van een lammetje onder handen neemt, met grijnzende messen en blinkende scharen

Haar lem stoot

teen tussenwande waar die

slagaarbloed

nog lig en dun soos rooi ink klewe

en dat allemaal terwijl binnenin haarzelf, onzichtbaar voor iedereen, nieuw leven aan het groeien is. Aan de ene kant vernietiging, splitsing, ontbinding, aan de andere kant versmelting van cel met cel. Een wonderlijk gedicht, juist omdat het zo onsentimenteel is en zo cru, bijna agressief verwoord.

Wat is de zuiverste kern en tóch een illusie? Het paradijs. Als we niet uit de hof van Eden waren verstoten was die hof een doodgewone tuin gebleven. Het paradijs is het thema bij uitstek van scheuring en vernieuwing, van afsplitsing en verwachting. Ina Rousseau schreef dan ook een flink aantal paradijsgedichten.

Meteen in de eerste strofe zet ze dat thema duidelijk neer

Staan daar nog in Eden êrens,

verlate soos 'n stad in puin,

met poorte grusaam toegespyker,

deur eeue die mislukte tuin?

verlangen en mislukking zijn hier onlosmakelijk met elkaar verbonden. In Eden êrens... Door de bijzondere plaatsing van ergens krijgt het verlangen een sterke bijsmaak van twijfel en vertwijfeling. De ruïnes en de gruwzaam toegespijkerde poorten benadrukken de grondige aard van de mislukking.

Orde en strakke bouw zijn passend voor een tuingedicht. In de volgende drie strofen komen, steeds in een vraag verpakt, de vruchten, de edelstenen en de waterstromen aan bod allemaal ongebruikte schatten. Allemaal verwijzingen naar het Bijbelse scheppingsverhaal, naar de hof door de Here geplant in Eden.

En de Here God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze...

en het goud van dit land is goed, daar is ook de steen sardonyx...

en ene rivier was voortgaande uit Eden om deze hof te besproeien, en werd van daar verdeeld en werd tot vier hoofden...

't Is niet onmogelijk dat in de vruchtenweelde en het helder geklater ook een echo van Salomo's Hooglied meeklinkt.

Dat zich tussen alle geboomte en vruchten de boom van de kennis van goed en kwaad bevond, de boom van de feilbaarheid, daarover rept de dichteres met geen woord. Dat verhaal vormt de onuitgesproken verklaring voor het feit dat de vruchten rotten, de riffen en schachten onontgonnen blijven en het glasheldere water ongedronken.

Door ons, stervelingen.

Het gedicht Eden is louter suggestie. Maar het is een sterk gedicht omdat het niet blijft steken in de idealistische metafoor: de zwoele dagen, de rottenis, het ondergrondse kantwerk, de natgroene struiken, de kabbeling zijn concreet, fysiek. Er is kleur, beweging, transparantie. Ina Rousseau's Eden is een aardse tuin en we kunnen met geen mogelijkheid aan haar vragen ontsnappen.

Haar laatste vraag is een herhaling van haar eerste. Een vraag die wordt herhaald toetert, zoals we allemaal weten, langer na in het oor. Verwijtender ook. Maar het verleent aan het gedicht ook een cyclisch karakter. Door de herhaling wordt de voor Ina Rousseau zo kenmerkende kringloop tot stand gebracht.

Vernietiging is niet het einde.

Gedoemd tot langzame verrotting houden we nooit op ons te verwonderen over de zin of zinloosheid van het begin.