Luchtig werk van Carter

Je kunt je verbazen over wonderkinderen als Mozart en Mendelssohn, maar ook over grijsaards zoals Verdi waarover Vincent Sheean een boek schreef onder de veelzeggende titel Orpheus at Eighty. En wat te denken van Elliott Carter, geboren op 11 december 1908, die de negentig is gepasseerd en zeker nu het ene meesterwerk na het andere de wereld instuurt. Werkte hij aanvankelijk maar moeizaam en langzaam, nu schrijft hij in een hoog tempo. Over zijn recente tweede opera What next? deed hij slechts anderhalf jaar en het Asko Concerto dat gisteren in het Concertgebouw bij het Asko in première ging, was reeds binnen een maand voltooid. What next? is voor Carter dan ook geen vraag. Hij hoeft kennelijk niet meer op inspiratie te wachten. Zojuist voltooide hij een liederencyclus en nu werkt hij aan een celloconcert. Die latere werken zijn toegankelijker dan de meer doorwrochte vroegere. Een goed voorbeeld ter vergelijking bood Penthode uit 1984-'85 waarin vijf instrumentale kwartetten tegen elkaar worden uitgespeeld. Die kamermuzikale opsplitsing heerst in Carters oeuvre sinds het Derde Strijkkwartet uit 1971 waarin kleinere groepen opereren in herkenbare figuraties min of meer zoals retorische figuren uit de barok. Een dergelijk houvast is geen overbodige luxe bij een componist die als een meestertransformator grossiert in tempo-, maat- en ritmewisselingen.

Is Penthode één groot knutselboek, toch is dat niet het enige verschil met het veel inzichtelijker Asko Concerto voor de bezetting van fluit, hobo, klarinet, basklarinet, fagot, hoorn, trompet, trombone, slagwerk, piano, celesta, harp en strijkers. Bouwt Penthode onherroepelijk op naar een verpletterende finale van een wringend expressionistische allure, het nieuwe werk eindigt goed geluimd met een grappige fagotsolo. Alleen de tutti die de zes secties scheiden herinneren enigszins aan de overspannen Orpheus at Eighty, de Orpheus at Ninety is opvallend luchthartig, zeg maar als Verdi's Falstaff. Sprookjesachtig was ook Knussens fantasieopera Where The Wild Things Are. De klokken uit Moussorgsky's Boris Godounov luiden er zwaar en zinderend, maar gelukkig zijn er ook lichtere passages die herinneren aan Ravels l'Enfant et les sortileges die beter passen bij een kinderboek. Lisa Saffer was kranig in de krijsend hoge sopraanpartij, de gecombineerde Asko-Schönberg Ensembles overtroffen zichzelf.

Concert: Asko-Schönberg Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. Werken van Carter en Knussen. Gehoord 26/4 Concertgebouw Amsterdam.