Koning kan niet regeren `bij de gratie Gods'

De legitimatie van het erfelijke koningschap kan niet berusten op de `gratie Gods'. Die formulering sluit niet aan bij de huidige multiculturele samenleving en is strijdig met de scheiding tussen kerk en staat, vinden Herman Philipse en Göran Sundholm.

`Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut!' Zo luidt de formule waarmee de afkondiging van Nederlandse wetten in het Staatsblad begint. Deze formule roept een drietal netelige vragen op.

Indien koningin Beatrix de pretentie heeft bij de gratie Gods het koningschap der Nederlanden te bezitten, hoe denkt ze dan deze gratie verworven te hebben? Is de religieuze rechtvaardiging van het koningschap bovendien wel te verenigen met de scheiding tussen kerk en staat? En als een godsdienstige legitimatie ontbreekt, wat rechtvaardigt dan de erfelijkheid van de monarchie?

Deze vragen staan niet geheel los van de staatsrechtelijke suggesties die de leider van D66, Thom de Graaf, en anderen, zoals prof. S. W. Couwenberg, hebben gedaan om de functie van de koning terug te brengen tot die van een voornamelijk symbolisch staatshoofd. Juist wanneer men de koning als een symbolisch staatshoofd wil zien, wordt de vraag urgent wat de symboliek van het koningschap moet inhouden. Dient het een religieus aspect te hebben of kan men dit in onze tijd beter vermijden?

Het lijdt weinig twijfel dat, als men de idee van een goddelijke gratie aanvaardt, de koning van Engeland met recht op deze religieuze gratie een beroep kan doen. Engeland heeft een staatskerk en de koning verkrijgt de goddelijke gratie door een zalvingsritueel dat dateert uit de tijd van Richard I. De zalving van koningin Elzisabeth II vond plaats op 2 juni 1953 in Westminster Abbey, waar sinds de kroning van Willem de Veroveraar in 1066 alle Engelse koningen zijn gekroond – met uitzondering van Edward VI en Edward VIII.

Het ritueel verliep als volgt. Nadat de aartsbisschop van Canterbury de hymne `Veni Creator Spiritus' had aangeheven, werd Elizabeth aan het oog van de toeschouwers onttrokken door een goudbrokaten baldakijn, dat vier ridders van de orde van de kousenband over haar heen spanden. Ze werd ontdaan van haar karmozijnrode statiemantel en nam onopgesmukt plaats op een knielbank in afwachting van haar consecratie. Vervolgens bracht de deken van Westminster van het altaar de gouden Ampulla, gevuld met olijfolie, waarvan hij een deel goot in de tweekoppige zilveren en zwaarvergulde Lepel (wellicht het oudste object der Regalia). De aartsbischop doopte daarop zijn duim en wijsvinger in de olie, kroop onder het baldakijn en zalfde de koningin in de palmen van haar twee handen, op de borst, en op de kruin van haar hoofd. Alleen door deze zalving wordt de koning in Engeland geacht als zodanig gekwalificeerd te zijn.

Vergelijken we dit zalvingsritueel met de sobere procedure voorgeschreven door artikel 32 van de Nederlandse grondwet, dan blijkt deze procedure niet te voorzien in het verwerven van goddelijke gratie door de nieuwe koning. De procedure omvat slechts een beëdiging en inhuldiging van de koning tijdens een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal te Amsterdam, waarbij de koning trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt zweert of belooft. Een zalving komt er niet aan te pas. Dat zou ook niet kunnen omdat Nederland sinds 1796 geen staatskerk meer kent. De conclusie moet dus luiden dat Nederlandse koningen de goddelijke gratie niet bij hun inhuldiging verwerven door een gratie-transmissieritueel.

Is het dan mogelijk dat ze de goddelijke gratie verwerven door een automatische overerving? Dit is denkbaar indien deze bij de instelling van de dynastie van Oranje-Nassau als koningshuis der Nederlanden op de een of andere manier aan de eerste koning, Willem I, te beurt is gevallen en erfelijk is. Maar aan de eerste van deze twee noodzakelijke voorwaarden is in elk geval niet voldaan. Zoals Harry van Wijnen in zijn recente boek over de macht van de kroon nog eens beschrijft, ondertekende Willem I op 16 maart 1815 zijn eigen `Besluit' waarin hij de koningstitel aanvaardde. Willem I schiep door zichzelf de koningskroon op het hoofd te zetten een voldongen feit in een constitutioneel vacuüm. Over het ontvangen van een gratie Gods werd met geen woord gerept.

Wat de goddelijke gratie als rechtvaardiging van het koningschap betreft, staan we dus voor een dilemma. Deze gratie is ofwel bij het instellen van de dynastie ofwel bij het aantreden van elke nieuwe koning verleend. In Nederland is ze op geen van deze twee wijzen verworven, hetgeen ook moeilijk is bij ontstentenis van een staatskerk. Dus beroept koningin Beatrix zich ten onrechte op de gratie Gods.

Er zijn twee uitwegen uit dit dilemma denkbaar, die echter beide onbegaanbaar zijn. De ene is de traditionele calvinistische Oranje-theologie. De bevrijding van de calvinistische Nederlanden van het Habsburgse en katholieke juk van de Spaanse overheersing onder leiding van prins Willem van Oranje, is volgens deze theologie een bewijs van het feit dat de gratie Gods rust op Nederland en Oranje. Willem van Oranje was als een Mozes die de Zeven Provinciën door een Exodus bevrijdde uit de ballingschap en de Nederlanden werden daardoor het `Israel van het Westen'. Wie morrelt aan de positie van het Huis van Oranje, loopt dus de kans daardoor de gratie Gods voor Nederland te verspelen.

Deze theologie moet worden verworpen op grond van een interne en een externe moeilijkheid. De interne moeilijkheid is dat Calvijn zelf grote bezwaren had tegen een erfelijke monarchie, omdat deze gemakkelijk mensen op de troon kan brengen die volmaakt ongeschikt zijn voor deze functie. Het kan dus wel zijn dat prins Willem van Oranje de Nederlanden dankzij de gratie Gods kon bevrijden van de Spaanse overheersing; dit legitimeert nog niet een erfelijk stadhouderschap, laat staan een erfelijk koningschap. Het externe probleem is dat volgens deze legitimatie de Nederlandse koning uitsluitend een koning is van calvinisten. Indien een hedendaagse koning de functie moet hebben de eenheid van de natie te symboliseren in een tijd waarin, zoals Tjeenk Willink, vice-president van de Raad van State, enigszins versluierend opmerkte, ,,er nieuwe Nederlanders zijn, hier geboren, hier opgeleid, hier aan het werk, die zich ook Nederlanders willen voelen'', dan doet men er goed aan de calvinistische Oranje-theologie zo snel mogelijk te vergeten. Deze `nieuwe Nederlanders' zijn immers voor een deel moslims. Voor de traditionele Oranje-theologie is de gedachte dat een Oranje ook moslims als onderdanen zou hebben anathema.

De tweede uitweg uit het dilemma is de gedachte – geïnspireerd door rationalistische theologen-filosofen zoals Leibniz – dat de gratie Gods op iedereen rust wie of wat hij ook is, omdat een almachtige en alwijze schepper-god de beste van alle mogelijke werelden heeft geschapen. Derhalve rust de gratie Gods ook op ons koningshuis. Maar deze theorie slaat als een boemerang op zichzelf terug. Indien de gratie Gods op alles rust, zou ze evenzeer rusten op het koningshuis als op een eventuele afschaffing van het koningshuis. Ze kan dus het instituut van het koningshuis moeilijk legitimeren. Juist doordat deze theorie alles in het algemeen legitimeert, legitimeert ze niets in het bijzonder.

Voorts is er het probleem van het leerstuk van de scheiding van kerk en staat, dat na de Bataafse revolutie van 1795 door de Nationale Vergadering in 1796 werd aanvaard en tevens een leidend beginsel was voor de grondwet van 1814. In de constitutie van 1815 werden de laatste sporen van de geprivilegieerde status van de Hervormde Kerk tijdens de Republiek uitgewist, wat noodzakelijk was voor de vereniging met het katholieke België. Zo vermeldde de Grondwet van 1814 nog dat de soevereine vorst tot de Hervormde Kerk moest behoren, een bepaling die in 1815 werd geschrapt.

De vigerende grondwet van 1983 aanvaardt het leerstuk van de scheiding van kerk en staat niet met zoveel woorden, omdat het als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Ze bevat echter twee complementaire beginselen, het beginsel van de vrijheid van godsdienst en het beginsel van neutraliteit van de staat ten opzichte van godsdiensten, die respectievelijk in artikel 6 en artikel 1 worden verwoord en die tezamen de scheiding van kerk en staat uitdrukken.

Met name artikel 1 is hier van belang: ,,Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan''. Het zou op zijn zachtst gezegd merkwaardig zijn indien men ons koningshuis van de jurisdictie van deze bepaling zou uitzonderen.

Op grond van het bovenstaande concluderen wij dat het koningshuis zich ten onrechte op de gratie Gods beroept. Wij stellen daarom voor de formule in het Staatsblad te seculariseren.

Deze conclusie doet terstond een volgende vraag rijzen. J. L. Heldring citeerde op 11 april een volzin die hij 23 jaar geleden schreef: ,,Maar of men erin gelooft of niet – de gratie Gods is de enige legitimatie van een dynastie''. Kennelijk onderschrijft hij deze mening nog steeds. Want hij betoogt dat als de formule wordt afgeschaft, ,,de legitimatie van de uitzonderlijkheid van het koningschap vervalt, een uitzonderlijkheid die in de eerste plaats in de erfelijkheid tot uitdrukking komt''. De eminente commentator vliegt hier wat kort door de bocht. Er zijn andere legitimaties te bedenken voor een erfelijk koningschap dan de theologische.

Twee sterke argumenten pleiten tegen het erfelijke koningschap. Allereerst: de functie van staatshoofd is te belangrijk om de keuze van de meest geschikte kandidaat over te laten aan het toevallige spel der genen. De kans op een troonopvolger die niet goed in staat is zijn belangrijke taken naar behoren te vervullen is zeer reëel, zoals het voorbeeld van koning Willem III laat zien. Dit was het argument dat volgens Calvijn afdoende was om het instituut van een erfelijk koningschap te verwerpen. In de tweede plaats is het in een democratie moeilijk te aanvaarden dat het hoogste staatsambt wordt bezet door iemand wiens selectie aan elke democratische controle onttrokken is. Het instituut van een erfelijk koningschap behoeft dus een uitdrukkelijke rechtvaardiging.

Daarbij moet men de mogelijkheden voor rationele argumentatie echter niet overschatten. Immers, zoals David Hume reeds opmerkte in A Treatise of Human Nature (1739), vinden we, wanneer we teruggaan naar de oorsprong van vrijwel elke natie en overheid, dat ze is gebaseerd op usurpatie of opstand, zodat de oorspronkelijke rechtstitel van regeringen en dynastieën aanvankelijk slechter dan dubieus was. Maar, zo zegt Hume, `tijd alleen geeft soliditeit aan hun recht' en dit is het eerste beginsel dat volgens hem een regeringsvorm rechtvaardigt. Anders gezegd: de mens is een gewoontedier en het is de gewoonte die een bestaande regeringsvorm boven alles legitimeert. Dit geldt ook voor het erfelijke koningschap van de prinsen van Oranje, dat nu bijna twee eeuwen bestaat en wortelt in hun stadhouderschap onder de Republiek. De legitimatie door gewoonte en gewenning laat overigens onverlet de noodzaak het takenpakket van de koning van tijd tot tijd opnieuw te bezien en aan te passen aan nieuwe inzichten.

De rechtvaardiging van het erfelijke koningschap is te wezenlijk om met slechte argumenten te worden gesteund, zoals die uit de koker van Tjeenk Willink. Volgens hem heeft het erfelijke koningschap in een democratie ten minste twee belangrijke functies: `het bewaken van de (constitutionele) spelregels, en de boel bij elkaar houden'. Hij schreef op 14 april in deze krant: ,,Ieder die zich er bewust van is dat de spelregels in een democratie, ook in Nederland, niet automatisch gegarandeerd zijn en dat het gevoel dat we – Nederlanders en nieuwe Nederlanders – bij elkaar horen onder druk staat, moet zich tweemaal bedenken alvorens aan het koningschap te gaan morrelen''.

Deze argumenten zijn weinig overtuigend. De constitutionele spelregels kunnen ook toereikend bewaakt worden door de Raad van State zelf, waarvan men de bevoegdheden dan iets zou kunnen uitbreiden. Of het koningshuis in feite de functie heeft de integratie van minderheden te bevorderen – we nemen aan dat Tjeenk Willink daarop doelt – is zeer de vraag. Het is mogelijk dat de overgrote meerderheid van de minderheden in het geheel geen boodschap heeft aan ons koningshuis en zich beter thuis zou voelen in een republiek; dit zou men empirisch moeten onderzoeken. Het is ons niet opgevallen dat de koningin een grote publieke rol speelt bij het integreren van minderheden. Van de kroonprins is evenmin bekend dat hij zich met name inzet voor de integratie van minderheden. Voorzover wij dat kunnen waarnemen, interesseert hij zich vooral voor sport en waterbeheer. Indien men het bestaan van het erfelijke koningschap dus wil rechtvaardigen door te wijzen op de taak `de boel bij elkaar te houden', dan dient deze taak een hoge prioriteit te krijgen op de koninklijke agenda. Maar het is een hachelijke taak, die gemakkelijk kan mislukken.

Een beter argument voor het bestaan van een erfelijk koningschap is gelegen in het belang van een stijlvolle representatie van ons land. Het lijkt voor de internationale positie van Nederland in de wereld wezenlijk dat dit land bij belangrijke gelegenheden zoals staatsbezoeken wordt vertegenwoordigd door een persoon die de kunst verstaat zich in verschillende culturen met gemak en gratie te bewegen en daardoor respect af te dwingen. Gezien het in Franse of Engelse ogen nogal onbehouwen karakter van de Nederlandse volksaard ligt het niet voor de hand dat een te onzent gepokte en gemazelde politicus hierin het beste zal slagen. Alleen een opvoeding vanaf jonge leeftijd die mede op dit ideaal is gericht en een sterke internationale signatuur heeft, zal de vereiste karaktervorming kunnen bewerkstelligen. Binnen het raamwerk van een erfelijke monarchie kan op natuurlijke wijze in een dergelijke opvoeding van de troonopvolger worden voorzien.

We bepleiten hier dus niet een afschaffing van de erfelijke monarchie. Wel stellen we voor de verwijzing naar de gratie Gods bij de afkondiging van wetten in het Staatsblad te laten vervallen. Enerzijds moet de koning dus dezelfde vrijheid van geweten in religieuze zaken krijgen als elke burger: hij moet de mogelijkheid hebben atheïst, boeddhist, of soefi te worden. Maar dan kan hij ook niet genoopt zijn wetten af te kondigen beginnend met de formule dat hij `bij de gratie Gods' koning der Nederlanden is, als men hem tenminste niet wil dwingen tot hypocrisie, het ambt van koning onwaardig. Anderzijds moet men de associatie van de Kroon met een bepaalde godsdienst voorkomen om geen inbreuk te maken op het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Ook indien het staatshoofd hervormd is, dient daarom de zinsnede `bij de gratie Gods' niet voor te komen bij de afkondiging van wetten die gelden voor alle burgers.

Herman Philipse en Göran Sundholm zijn beiden hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit Leiden.