Europese `klokkenluider' Van Buitenen krijgt lintje

De Nederlandse Euro-ambtenaar Paul van Buitenen, die eind 1998 enkele maanden geschorst is geweest en een half jaar geleden een officiële berisping kreeg van de Europese Commissie in Brussel, is benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) stond in dubio of hij het koninklijk besluit over deze onderscheiding voor Van Buitenen zou tekenen, maar tekende toch.

De versierselen zouden Van Buitenen vanmiddag worden uitgereikt door de Nederlandse ambassadeur in Luxemburg, mr. J.S.L. Gualthérie van Weezel.

Van Buitenen woont en werkt sinds kort in Luxemburg, waarnaar hij door de Europese Commissie is overgeplaatst.

Schrijver en dichter Remco Campert, wie het ridderschap in de orde van de Nederlandse Leeuw was toebedacht, weigert deze onderscheiding. ,,De gedachten die ik koester aangaande de functie van de monarchie staan mij niet toe een koninklijke onderscheiding te aanvaarden'', schrijft Campert in een brief aan het gemeentebestuur van Amsterdam.

De onderscheiding van Van Buitenen maakt hem voor de tweede keer in anderhalf jaar tot hoofdpersoon van een opmerkelijke geschiedenis. Vorig jaar oktober kreeg hij, na een schorsing van enkele maanden, een reprimande van de tuchtraad van de Europese Commissie. Hij was volgens deze raad eind 1998 als ambtenaar van de interne financiële controledienst over de schreef gegaan door (nog) vertrouwelijke gegevens uit een lopend justitieel onderzoek naar leden van de Commissie te verstrekken aan een (GroenLinkse) Europarlementariër.

Er volgde scherpe kritiek uit andere fracties van het Europees Parlement op de Commissie en uiteindelijk trad toenmalige Commissie-Santer in maart 1999 af. Zowel de schorsing van de ambtenaar als de latere officiële reprimande aan zijn adres wekte veler verontwaardiging. Voor het Europees Parlement telde mee dat het toch al zocht naar een duidelijker ,,eigen profiel'' tegenover de Commissie en de Europese ministerraad.

Lintje dilemma voor Van Aartsen

Sinds april 1996 biedt het Nederlandse decoratiestelsel meer ruimte aan `gewone' burgers om kandidaten voor koninklijke onderscheidingen voor te stellen.

Voor een onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau moet iemand zich ,,op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving''.

Van deze in Europa unieke `basalisering' van het nationale decoratiestelsel heeft een groep Nederlanders vorig najaar gebruik gemaakt door het zogeheten Kapittel voor de Civiele Orden in Den Haag schriftelijk een koninklijke onderscheiding voor Van Buitenen voor te stellen. De kandidaatstelling eindigt in januari.

Over zulke voorstellen moet het Kapittel, dat wordt voorgezeten door de vroegere staatssecretaris D. de Graaff-Nauta, een ,,zwaarwegend advies'' uitbrengen en dat doorsturen aan ,,de minister die het aangaat''. Dat is de minister wiens handtekening moet staan onder het koninklijk besluit waarbij de onderscheiding wordt toegekend.

Het advies van het Kapittel, waarvan zelden wordt afgeweken, luidde in het geval-Van Buitenen ,,geen bezwaar''. Het is dit voorjaar doorgestuurd naar Buitenlandse Zaken, waar minister Van Aartsen vervolgens voor een dilemma kwam te staan. Namelijk of hij al dan niet wilde meewerken aan totstandkoming van een KB waarbij een juist door de Europese Commissie berispte ambtenaar met een Nederlandse koninklijke onderscheiding zou worden geeerd. Van Aartsen, die de afgelopen maanden soms stevig onder vuur ligt in de Tweede Kamer en de media, koos er ten slotte voor zijn handtekening onder het ontwerp-KB te zetten.

,,De minister kon er weinig aan doen dat ze bij het Kapittel hebben zitten slapen. Daarna kon de minister kiezen tussen de duivel en de diepe blauwe zee'', zegt een diplomaat daarover desgevraagd. ,,Als hij niet getekend zou hebben, had hij in zo'n geval veel soesah en vervelende publiciteit mogen verwachten. Als hij wél zou tekenen misschien ook, maar dan hopelijk wat minder. Maar we zullen de komende tijd wel wat hebben uit te leggen aan onze Europese partnerlanden over de gevolgen die de democratisering van ons decoratiestelsel kan hebben.''