Toon Hermans

Zijn beste nummers waren er gisteren helaas niet bij. Die stammen uit de tijd van de zwartwittelevisie en daar waren maar enkele korte fragmentjes uitgelicht. Maar als je het hele leven van Toon Hermans wil laten zien, kun je het niet concentreren op de latere sentimentele jaren waarin Hermans zijn rijmpjes voorlas aan een vergrijzend publiek. Hoe donkerder zijn haar, des te grappiger was hij en des te algemener zijn publiek. Waar waren de gehaktbal, het galabal en de uitschuiftafeldame gebleven? Was de omroep bang dat zwart-wit het publiek zou afstoten?

Helaas was ook in de eigen selectie van Toon Hermans, die de VARA na elven uitzond, te weinig te zien uit de tijd dat de straten leeg waren omdat Toon Hermans op de televisie was. Zowel de AVRO als de VARA had zijn programmering omgegooid. B&W had cabaretspecialisten uitgenodigd, terwijl de AVRO op de andere zender een oud vraaggesprek met hem uitzond. Netwerk had fragmenten van een nog uit te zenden documentaire. Overal zag ik de voormalige directeur van Carré met zijn herinneringen. Grappige fragmenten van de Roepie-roepie-vogel, de absurde circusnummers, de verschillende muziekinstrumenten waar hij mee op kwam en de militaire trom waren er ook.

Hermans was Monty Python voor. Hij deed het met niks, zei iedereen gisteren. In de feodaal-katholieke éénpartij-provincie Limburg waar hij opgroeide, was humor over niks tot grote kunst verheven. De man in het café die iedereen aan het lachen maakt en van geen ophouden weet. Niet na te vertellen. Gisteren was te zien hoe Hermans na elke grap de tijd nam om iedereen in Carré aan te kijken, linksvoor, rechtsvoor, linksachter, rechtsachter, linksboven, rechtsboven en het schellinkje. Zijn oogwit was van ver zichtbaar. En iedereen maar lachen, lachen. Het begon al als hij opkwam en echt nog helemaal niets had gedaan. Zoals het jongetje dat altijd onder veel hilariteit meteen de klas wordt uitgestuurd, terwijl hij mompelt ,,maar ik dee toch niks?''.

Ik ken Hermans uitsluitend van de televisie maar ergens in de jaren zeventig, toen ik volwassen werd en de harde humor en het engagement van Neerlands Hoop opkwam, moet ik mijn belangstelling hebben verloren. De bloeitijd van Toon Hermans viel in de jaren toen de tv het land homogeniseerde en de zuilen als lege hulzen moesten worden gestut. Het deed er niet meer toe, heel Nederland keek naar dezelfde programma's, ongeacht de levensbeschouwelijke kleur van de omroep. In de jaren zeventig ontstond de polarisering en nu behoren we allemaal tot doelgroepen. Gisteren bij de terugblikken kwam de laatste doelgroep van Hermans, weemoedige ouderen, veel aan het woord. Nova deed straatinterviews op de Amsterdamse Albert Cuyp markt, waar door de week de vijftig-plussers overheersen.

De op jongeren gerichte commerciële televisie liet zich weinig aan Hermans gelegen liggen. Bij Barend en Van Dorp kwam hij wel ter sprake. Schrijver Joost Zwagerman herinnerde zich hoe zijn ouders weer helemaal verliefd op elkaar werden als ze naar Hermans waren gegaan en er nog dagen over napraatten.

Youp van 't Hek, standwerker van de harde grap, zat gisteren weemoedig bij Nova. Behoort ook tot de doelgroep, had vroeger altijd Toon Hermans willen worden, zei hij. Op het Journaal zag ik hem in de begrafenisstoet, zijn gezicht verbergend achter een roos. In Nova zei de pastoor van Sittard dat Hermans pas nog naar de Rosa-processie was geweest. Net als vroeger. ,,Hans van Mierlo was er ook'', voegde hij eraan toe.

Het Journaal had ook een item over het kwaad van het nationalisme. Er was een tentoonstelling over georganiseerd. De grijze Wim Kok was op bezoek en hij moest Het Journaal uitleggen dat nationalisme niet alleen slecht was maar ,,ook iets te maken heeft met verbondenheid met elkaar''. Het is de kurk waar de Haagse politiek op drijft en mede oorzaak dat ooit het hele land televisie keek en lachte om niets.