Toon

Had ik ze nog? Elke verhuizing hadden ze overleefd, de laatste ook? Jawel, daar lagen ze, diep in een donkere kast. Decennia niet meer naar geluisterd, maar weggooien, dat doe je niet met dierbare herinneringen.

Het zijn twee langspeelplaten van Toon Hermans, nog vervaardigd van dik, onbuigzaam eboniet, en ze stammen uit 1958. `One man show' heten ze simpelweg met achterop de aanduiding: ,,Live-recording op 15 maart 1958 in het West-End Theater in Den Haag.''

Bij het terugluisteren herken ik onmiddellijk de gedeelten waar we vroeger thuis zo vreselijk om moesten lachen. Gezinshumor is het voor mij, want naar Toon Hermans luisterde je gezamenlijk en je kwam er de dagen erna nog vaak op terug. Twaalf jaar was ik, en het betekende voor mij de kennismaking met de wereld van het cabaret.

Bij het luisteren naar die platen leefde je toe naar de conferences. Heel kort zijn ze op de plaat en nogal verstopt tussen de liedjes, maar je hoort meteen hoe Hermans in zijn element is. Er staat een schitterend nummer op over een verregende vakantie van Hermans met zijn gezin in Tirol ('t riool), telkens onderbroken met de uitroep: ,,Heerlijk! Heerlijk!'' De humor zit in de ontroering waarmee de vader over het mislukte avontuur vertelt: ,,We zaten in een dalletje, dat was óns dalletje.''

Dat zijn liedjes heel mooi konden zijn, ontging mij als jongen. Nu ik de platen weer beluister, valt me op hoe goed `Jacqueline' is. Een man stelt zich voor dat de wereld vergaat en hij alleen met zijn geliefde overblijft. De laatste regel bevat een harde klap: ,,Wat zou er gebeuren als er niemand meer overbleef/ dan zouden wij samen trouwen/ wij zouden dan weer Adam en Eva zijn/ maar onze kinderen, zouden die weer Kaïn en Abel heten?''

Natuurlijk heten ze zo, en wat voor Hermans nog vervelender was: kinderen als ik en dat waren er kort na de oorlog heel veel zouden hem vanaf het midden van de jaren zestig volledig vergeten. Dat is iets wat je in deze rouwdagen van lyrische lofprijzingen te weinig hoort. Hermans verloor het contact met een hele generatie. We vonden zijn cabaret truttig, oubollig en burgerlijk, we konden alleen nog met ironische meewarigheid naar al die schuddebuikende zalen op televisie kijken. Hermans was voor ons passé.

Dat is geen verwijt aan Hermans, maar evenmin aan onszelf, want er was in de jaren zestig en zeventig genoeg reden om naar een grimmiger soort humor te verlangen. In de literatuur waren de kwinkslagen van Bomans al opgevolgd door het sarcasme van Reve, en in het cabaret kwamen vooral Neerlands Hoop (Freek de Jonge en Bram Vermeulen) en Van Kooten en De Bie in die behoefte voorzien. Toen ik Neerlands Hoop voor het eerst zag optreden in Groningen omstreeks 1968 werd er voor mij een hele cabaretgeneratie weggevaagd. Ook, en vooral, Toon Hermans.

Dankzij de dood kwam hij gisteren als artiest toch weer even tot leven.