Rookvrije ruimte

,,ER IS GEEN veilige ondergrens.'' Deze opmerking van de president van de rechtbank Breda zet de toon van zijn uitspraak over passief roken op de werkplaats. Een werkneemster van een PTT-sorteercentrum had een algeheel rookverbod geëist. De rechter was het daarmee eens. Hij had weinig geduld met tegenwerpingen dat rokers en niet-rokers er – samen met de Ondernemingsraad – wel uitkomen. Rokers horen de gezondheid van niet-rokers te respecteren en daarmee uit.

Op scherpe toon herinnert de Bredase rechtbankpresident aan het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit, de gezondheid, dat is neergelegd in de Grondwet. Hij noemt het vanzelfsprekend dat dit ook gevolgen heeft op de arbeidsplek. De rechter beroept zich verder op een door de regering ingediend voorstel om de Tabakswet aan te scherpen, juist op het punt van ,,meeroken''.

De stellige uitspraak in Breda lijkt kortom de toon te zetten voor een nieuwe fase in het rookbeleid in Nederland. `Amerikaanse toestanden' dienen zich aan. In de VS kan het zelfs op een caféterras in de open lucht verboden zijn een rokertje op te steken. Er is al een Amerikaanse woningbouwcorporatie gesignaleerd die van nieuwe huurders een formele verklaring eist dat zij thuis niet zullen roken.

OOK IN NEDERLAND neemt de sociale druk toe, beter gezegd, het ongeduld van de mensen die hinder ondervinden van rook. Maar er zijn geen eenvoudige oplossingen voor het rookprobleem. Ook niet in Nederland. Zo wordt het voorgestelde verbod van verkoop aan minderjarigen door gedragsdeskundigen getypeerd als ,,verkapte tabaksreclame voor kinderen: niets is aantrekkelijker dan verboden vruchten''. En de Raad van State moppert ,,dat de voorgestelde maatregelen verder gaan dan nodig is voor de bescherming van de jeugd''. ,,De inzet van wettelijke verkoopverboden om mensen tot gezond gedrag te brengen roept vragen op omtrent een dergelijk overheidsoptreden'', voegde het hoge staatscollege hieraan toe.

Deze waarschuwing heeft een wijdere strekking dan de kwestie van de verkoopautomaten en de jongeren. Zo heeft het grondrecht op lichamelijke integriteit, dat de Bredase rechter in stelling bracht, twee kanten. Het is een ,,vrijwaringsrecht'' – zoals het recht van rook verschoond te blijven – maar het is ook een ,,beschikkingsrecht'' dat de roker aanspraak geeft op zijn slechte gewoonte.

Het algehele rookverbod is met andere woorden een aangelegenheid van botsende grondrechten. Dat maakt de invulling van zo'n verbod minder eenvoudig dan na het Bredase vonnis wellicht lijkt. Ook minister Borst (VWS) heeft dat onderkend. Zij reserveert in de nieuwe tabakswetgeving royale bevoegdheden om de bestaande rookverboden uit te breiden, maar blijft desalniettemin streven naar het sluiten van convenanten met het betrokken bedrijfsleven. De gezondheid van de niet-roker staat voorop, maar de rokende medemens mag niet worden weggepest.