De zachte euro

DE MARKTEN LUISTEREN niet meer. Alle bezwerende woorden van de centrale bankiers ten spijt zakt de euro, de munt waarin de nationale munten van elf EU-lidstaten zijn opgegaan, verder weg. Sinds de feestelijke introductie op 1 januari 1999 is de euro ten opzichte van de dollar gezakt van 1,18 naar 0,92 cent vandaag. Een koersdaling van tweeëntwintig procent is geen prestatie om trots op te zijn. Het is een verre echo van de verzekering dat de euro zo `hard als de gulden en de Duitse mark' zou worden. In werkelijkheid volgt de euro het oude patroon van de zachte munten van de Zuid-Europese landen.

Het vertrouwen van de financiële markten dat het met de euro op korte termijn goed zal komen, slinkt zienderogen. De aantrekkende Europese economie geeft de euro geen steun. De dollar blijkt ongenaakbaar, zelfs heftige koersschommelingen op Wall Street tasten het vertrouwen in de Amerikaans munt niet aan. Euroland moet bij zichzelf te rade gaan als het een verklaring voor zijn zwakke munt zoekt.

In de statuten van de Europese Centrale bank staat dat het hoofddoel van de ECB `handhaven van prijsstabiliteit' is. Dat wil zeggen: voorkomen dat de waarde van de euro wordt uitgehold door inflatie. Net als de Federal Reserve, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, en de Duitse Bundesbank (tot 1999) hanteert de ECB geen doelstelling voor de wisselkoers. Nu weet iedere centrale bankier dat er een verband is tussen de wisselkoers en prijsstabiliteit, maar formeel streeft de ECB alleen naar interne, niet naar externe stabiliteit. Het probleem is: wie is er wél belast met de wisselkoers?

DE MINISTERS van Financiën hebben er iets over te zeggen, evenals de regeringsleiders. Maar die hebben uiteenlopende opvattingen en prioriteiten, afhankelijk van de economische omstandigheden in eigen land. Waar het ene euroland baat heeft bij een zwakke munt, wenst het andere juist een harde munt. Voor de overbrugging van dergelijke – op zichzelf gerechtvaardigde – belangentegenstellingen, bestaat geen duidelijk parcours.

Daar komt bij dat de meeste Europese politieke leiders er nog niet aan gewend zijn dat ze opereren in één bovenstatelijk muntgebied. Zo hebben de politieke crisis in Italië, de stagnatie bij pensioenhervormingen in Frankrijk, de smeergeldaffaire bij de CDU in Duitsland of het beursschandaal rond World Online in Nederland (om enkele recente voorbeelden te noemen) directe gevolgen voor héél euroland. Niet langer komt de koers van de nationale munten in dergelijke gevallen onder druk te staan, want die bestaan niet meer, maar de Europese munt. Het besef dat de euro een gemeenschappelijk goed is, leeft misschien bij centrale bankiers, maar daarbuiten nog nauwelijks.

`DE DOLLAR IS ónze munt en júllie probleem', beet de toenmalige Amerikaanse minister van Financiën John Connally zijn verblufte Europese collega's in de jaren zeventig eens toe. Toen was de dollar zwak en de D-mark overgewaardeerd. De Amerikanen weigerden daar iets aan te doen, tot wanhoop van de Europeanen. Benign neglect, welwillende verwaarlozing, heette dat beleid. Het probleem van de euro is dat het niet `onze munt' is en evenmin `hun probleem'. De Amerikanen varen wel bij een sterke dollar en de Europeanen krijgen geen warm gevoel bij de euro, die ze pas over twee jaar fysiek kunnen vasthouden. Het ziet er niet naar uit dat dit perspectief op korte termijn zal veranderen.