Westen moet China anders aanpakken

De confrontatie tussen twee mensenrechtenculturen, de Westerse universalistische en de Chinese relativistische, is vorige week in Genève geëindigd in een zinloos ritueel en een nieuwe propagandazege van China. Er zijn effectievere methodes om het Chinese mensenrechtenbeleid te kritiseren, vindt Willem van Kemenade.

Voor de negende achtereenvolgende keer is Peking erin geslaagd een tegen China gerichte ontwerpresolutie in de VN-Commissie voor de Mensenrechten te laten ontsporen. Dit jaar was er meer optimisme dan in voorgaande jaren dat de, ditmaal alleen door de Verenigde Staten met steun van Polen geïnitieerde, resolutie het zou halen. Sinds eind 1998 verslechtert de situatie van de mensenrechten in China en president Clinton had aangekondigd dit jaar de zaak energieker dan voorheen aan te pakken. Begin deze maand heerste in kringen van mensenrechtenorganisaties in het Geneefse Palais des Nations dan ook de overtuiging dat de Chinese `motie van non-actie' het niet zou halen en dat daarmee de kans op aanneming van de resolutie zelf des te groter was.

Vorige week werd echter de Chinese motie om de Amerikaanse resolutie niet in behandeling te nemen wederom aangenomen, nu met 22 van de 53 stemmen voor, 18 tegen en 12 onthoudingen. De stemverdeling liep vrijwel geheel langs ideologische en regionale lijn. Het was in grote lijnen the rest versus the West. Afro-Aziatische landen, ook die traditioneel niet met China meestemmen zoals India en Indonesië steunden de Chinese motie, alsmede Rusland, Venezuela en Peru. Tegen de Chinese motie stemden de VS en Canada, de zeven lidstaten van de Europese Unie die in de commissie zitten, plus Noorwegen en Zwitserland; vervolgens de kandidaat EU-leden Tsjechië, Polen en Letland. Japan stemde als enige Aziatische land tegen en Colombia als enige Zuid-Amerikaans land. Tenslotte stemden El Salvador en Guatemala, de twee bondgenoten van Taiwan in Centraal Amerika ook tegen. De rest van Latijns Amerika en Afrika onthield zich van stemming en zelfs traditionele Aziatische bondgenoten van de VS als Zuid-Korea en de Filipijnen laten zich niet meer door de VS onder druk zetten om tegen China te stemmen en onthielden zich eveneens.

Waarom steken de VS en een klein groepje andere Westerse landen – waaronder in de afgelopen jaren Nederland en Denemarken – dan hun nek uit in wat, net als het jaarlijkse circus in het Amerikaanse Congres over China's handelsstatus, een zinloos ritueel is geworden dat vrijwel zeker steeds tot een propaganda-overwinning voor China leidt. Een hoge VN-functionaris gaf achter de schermen het antwoord: ,,Mensenrechten zijn een kwestie van geweten en een politiek spel.'' Dit jaar was de inzet van het politieke spel in Washington veel hoger dan voorheen omdat het belangrijkste punt op de Chinees-Amerikaanse bilaterale agenda de medewerking van het Congres voor China's toetreding tot de Wereld Handels Organisatie (WTO) is.

Er is geen goedkeuring van het Congres voor China's toetreding op zich vereist, maar om het zakenleven in de voordelen van China's toetreding, zoals lagere tarieven voor Amerikaanse goederen op de Chinese markt, te laten delen moet het Congres China permanent de status van normale handelspartner (PNTR) toekennen. Clinton vreesde dat dit een probleem zou worden en beloofde daarom in februari als zoethouder voor de anti-China krachten in het Congres een hardere aanpak van China op het gebied van de mensenrechten in Genève dit jaar. Het obstakel zit echter niet zozeer bij de vaste China-haters van de jaren negentig, de Republikeinen, maar veel meer bij Clintons Democraten. De Republikeinen zijn uiteindelijk de partij van big business en ondanks de obsessieve anti-China-stemming onder hen staan zij met ongeveer 150 leden klaar om voor China's toetreding te stemmen. Of Clinton eind mei 70 Democraten kan mobiliseren om de deal te beklinken voor een meerderheid van ten minste 218 blijft onzeker.

Maar ook zonder de handelspolitieke hoofddoelstelling zou het mensenrechtendoel gemist zijn. De mensenrechtenorganisaties schrijven de mislukking toe aan het feit dat Clinton zelf niet persoonlijk en energiek gelobbyd heeft en aan de passiviteit van de EU. De EU nam in 1999 bij monde van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, het standpunt in dat er geen overeenstemming (meer) was voor een resolutie tegen een land als zodanig. De EU heeft dit jaar de motie tegen China niet mede-ingediend, maar uiteindelijk wel tegen de Chinese motie gestemd.

In het Palais des Nations krijgt men de indruk dat de Europeanen er niet echt zin meer in hebben. De Fransen niet omdat China hun geestverwant is in hun verzet tegen een unipolaire wereld onder de Amerikaanse `hypermacht', en de rest niet omdat zij, anders dan de VS, geen hardline anti-China lobby's kennen en omdat hun handelsbelangen zwaarder wegen. De Chinezen zijn daarentegen uiterst voortvarend in hun offensieve defensie en bewerken alle lidstaten afzonderlijk, beloven ontwikkelingslanden politieke steun in multilaterale Noord-Zuid-kwesties en loven hulpprojecten uit voor goed stemgedrag.

De Chinezen erkennen dat er misstanden in hun land zijn, maar voegen er snel aan toe dat alleen dialoog verbetering kan brengen en dat confrontatie precies het tegenovergestelde bereikt. Dat die confrontatie publiek is en dat zij in feite het enige doelwit zijn steekt hen het meeste. De hypocrisie of op zijn minst eenzijdigheid van de Amerikaanse aanpak wordt geïllustreerd door het rapport `The Most Repressive Regimes in the World 2000' van Freedom House, Amerika's meest prestigieuze denktank op het gebied van democratisering en mensenrechten, dat in Genève werd verspreid. Hierin worden de dertien meest repressieve regimes opgesomd: Afghanistan, Birma, Cuba, Equatoriaal Guinea, Irak, Noord-Korea, Libië, Saoedi-Arabië, Somalië, Soedan, Syrie, Turkmenistan en Vietnam. Rusland en China horen als landen niet bij de dertien, maar worden wegens ernstige schendingen in Tsjetsjenië en Tibet aan de lijst toegevoegd. Geen van de dertien verheugt zich in de sympathie van de VS, behalve Saoedi-Arabië, dat echter met rust wordt gelaten. Een van de redenen daarvan is dat er geen buitenlandse media worden toegelaten. Verder is er in de VS geen `pressie-industrie' tegen Saoedi-Arabië actief, terwijl China-bashing lucratief emplooi biedt aan talloze politici, academici, media en duizenden non-gouvernementele organisaties.

Gezien het langdurig collectief falen van de Westerse landen om een resolutie ter kritisering van China aangenomen te krijgen, zou het aanbeveling verdienen de Geneefse procedure op te geven – niet om China verdere kritiek te sparen, maar om effectievere methodes te vinden.

De Europese landen hebben zich gerealiseerd dat confrontatie, dat wil zeggen publieke veroordeling van China, niets positiefs oplevert en zijn min of meer bereid daarnaar te handelen. De Amerikanen hebben wellicht hetzelfde geconcludeerd maar zijn niet bereid de confrontatie op te geven omdat de binnenlandse politiek dat niet toelaat. De prijs is dat China de dialoog met Amerika heeft opgeschort. De Europeanen zouden juist de dialoog met China moeten intensiveren, maar dan wel met nauw omlijnde doelstellingen en termijnen, bijvoorbeeld concrete stappen ter beëindiging van willekeurige arrestaties, openbare processen en opening van zaken over martelingen.

Een permanente structuur voor het uitwisselen van kritiek op hoog niveau zullen op termijn de zogeheten verdragscomités van deskundigen zijn, die moeten toezien op de naleving van de VN-verdragen zoals het Verdrag inzake Politieke en Burgerrechten en het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. Deze procedures lopen nog onvoldoende omdat nog te weinig landen die verdragen hebben ondertekend en geratificeerd. China heeft beide ondertekend, maar nog niet geratificeerd. Na ratificatie moeten alle lidstaten jaarlijks rapporteren over de uitvoering en naleving van de verdragen en een comité van internationale experts evalueert die rapporten en beveelt eventueel actie aan.

Wellicht zijn er nog meer methodes om China te kritiseren, anders dan de jaarlijkse, vooralsnog steeds mislukte diplomatieke mobilisatie in Genève. Daarmee doorgaan zal China naar alle waarschijnlijkheid alleen maar in staat stellen jaarlijks meer landen te overreden dat de Amerikaans/Westerse mensenrechtenideologie niet universalistisch is, maar neo-imperialistisch: een instrument om zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Derde-Wereldlanden en hun stabiliteit te ondermijnen.

De Chinezen hoeven niet eens uit hun eigen propagandareservoirs te putten om krachtige argumenten te vinden. De Chinese Legerkrant van 20 maart citeert met instemming Samuel Huntington, Amerika's beroemdste neo-conservatieve politicoloog. Deze schreef vorig jaar in zijn artikel `Lonely Superpower' in Foreign Affairs dat de VS in de ogen van vele landen een `schurkensupermacht' zijn geworden.

Willem van Kemenade is China-deskundige

met China intensiveren