Verliefd op Italië

,,Ik heb het altijd fijn gevonden om vanuit de dagelijkse beslommeringen de Middeleeuwen in te duiken, zoals anderen de Bouquetreeks lezen,'' zei Helene Nolthenius twaalf jaar geleden in een gesprek met deze krant. De schrijfster en muziekhistorica, die zaterdag op 80-jarige leeftijd in haar woonplaats Amsterdam overleed, was gegrepen door laat-middeleeuws Italië sinds ze na haar eindexamen gymnasium een reis door Toscane had gemaakt. Hoewel ze tientallen romans en verhalen publiceerde, alsmede studies over middeleeuwse muziek en de geschiedenis van het Concertgebouw, is ze vooral bekend geworden door romantiserende (kunst)historische boeken als Duecento (1951), Renaissance in mei (1956) en het voor de AKO-prijs 1989 genomineerde Een man uit het dal van Spoleto Franciscus tussen zijn tijdgenoten.

Een `aarts-escapist' noemde Helene Wagenaar-Nolthenius zichzelf. Dwepend met een beroemde Deense biografie van Sint Franciscus bekeerde ze zich als 20-jarige zelfs voor korte tijd tot het katholicisme. In plaats van het klooster (,,dat kon ik mijn ouders niet aandoen'') koos de kleindochter van de componist en Wagner-apostel Hugo Nolthenius voor een studie muziekwetenschap in Utrecht, waar ze promoveerde op de franciscaanse lauden, populaire kerkelijke liederen uit de dertiende eeuw. Haar studie leidde in 1958 tot een hoogleraarschap in de muziekgeschiedenis van de Oudheid en de Middeleeuwen, maar werd ook de basis van de rest van haar oeuvre. Nolthenius, in 1988: ,,Als je de middeleeuwse muziek ziet als een spiegel van de tijd, krijg je onvermijdelijk te maken met de kerkgeschiedenis, de kunst en de literatuur.''

Nolthenius' debuut Duecento Een zwerftocht door Italiës late Middeleeuwen was een lyrische bewerking van haar proefschrift (onder het motto: `met het opsommen van dorre feiten dring je niet door tot het verleden') en beïnvloedde volgens criticus Kees Fens het Italië-beeld van een hele generatie. Zelf vond Nolthenius het boek al snel gedateerd; in een interview in het Literair Supplement van deze krant (2-6-1995) noemde ze het het werk van een geestdriftig toerist, van een hartstochtelijke verliefde. In haar volgende boeken zou ze zich beperken: Renaissance in mei ging niet over een heel land in een hele eeuw maar over één stad (Florence), en de Franciscus-biografie ging nog maar over één man en een halve eeuw.

Als fictieschrijfster debuteerde Nolthenius in 1953 met Addio Grimaldi, de kroniek van een stadje aan de Italiaanse Riviera. Sindsdien publiceerde ze een aantal gemengd ontvangen (historische) romans en verhalenbundels, waaronder Een ladder op aarde (1968), De afgewende stad (1970), Weekend op Waldegg (1975), De steeneik (1984) en Het vliegend haft (1993). Na haar emeritaat in 1976 schreef ze bovendien een drietal zeer geslaagde – in het Duits, Frans en Spaans vertaalde – middeleeuwse speurdersromans (met in de hoofdrol de bedelmonnik Lapo Mosca) die doen denken aan de succesvolle Cadfael-serie van Ellis Peters.

Nolthenius' laatste roman Voortgeschopt als een steen verscheen vorig jaar. Het boek, dat het bewogen levensverhaal van de hellenistische epigrammendichter Leonidas van Tarente beschreef, werd om zijn levendigheid geprezen, onder andere in deze krant, waar Arnold Heumakers schreef: `Ja, zo zou een dichter uit de derde eeuw kunnen klinken.' Niettemin, toen Nolthenius vorig jaar de Anna Bijns-prijs kreeg voor de vrouwelijke stem in de literatuur, was dat niet voor haar fictie, maar voor haar historische werk, en met name Een man uit het dal van Spoleto – het boek waar zij overigens zelf het trotst op was.