Rheingold Express

Mijn vader studeerde in 1905 in Delft af als werktuigbouwkundig ingenieur en promoveerde in 1906 summa cum laude op een proefschrift `Over de exhaustwerking bij locomotieven'. Dat is geen loze praat, maar de waarheid. In dit proefschrift toonde hij aan dat bij het tsjoek-tsjoek-mechanisme van stoomlocomotieven, dat berustte op ritmisch ontsnappende stoom+rook, onnutte energie vrijkwam die elders in de trein kon worden gebruikt.

Hoewel hij later andere technische wegen insloeg, bleef hij een stoomtrein-addict. Contact met een locomotief bleef voor hem een happening van kracht, majesteit en menselijk vernuft.

Het leven bood destijds een fractie van wat de huidige verstrooiingsindustrie over ons uitstort. We moesten onze genoegens zelf scheppen, maar het mocht niet te veel kosten, want het gezin was groot en het huishoudbudget benauwd. Er waren middagen en hele zondagen waarop wij ons te pletter verveelden.

Een onvergetelijk uitje was de tocht naar de Rheingold-Express. Dit stalen monster kwam 's avonds om even over half acht langs Maarn, op weg naar het Roergebied, of nog veel verder. Tijdens de fietstocht van Amersfoort naar Maarn zat ik enkele malen per jaar als jochie bij mijn vader achterop, hij net zo gedreven als ik.

Toen, zoals nu, maakte de op een vrij hoge wal liggende spoorbaan na het station Maarn een flauwe bocht. Wij gingen halverwege tegen het steile talud staan.

Zodra het rommelen van de trein hoorbaar werd steeg de spanning. Even later werd de locomotief aan het hoofd van een schier eindeloze slang gekleurde wagons in de bocht zichtbaar en na een aantal onvergetelijke seconden denderde de reus in al zijn glorie op drie meter boven ons langs.

Ik zie mijn vader na zeventig jaar nóg staan. Een gelukkig mensenkind, ontwerper van zeker twaalf baanbrekende patenten, die hem door sluwe fabrieksdirecties voor een krats afhandig werden gemaakt, maar nu een paar minuten lang buiten bereik van de boze wereld.