Laatste grote clown uit Nederlands theater

Theater is magie, vond de zaterdag overleden Toon Hermans. Een nietszeggende mededeling toverde hij om tot superieure flauwekul.

Toon Hermans wilde weer beginnen met optreden. Hij had nieuwe energie, zei hij, en nieuwe liedjes. Zijn afscheid was geen echt afscheid geweest; er kwam uit de zalen nog zo veel warmte op hem af, dat hij zich daaraan graag nog eens wilde koesteren. Maar zaterdag trof hem een hartaanval die hij niet meer te boven kwam. Hij was de laatste van de grote clowns uit het Nederlandse theater.

Zijn leven lang droeg Toon Hermans zijn geboortestad Sittard met zich mee, waar hij op cafétafels zijn eerste gekkigheid had uitgehaald. De kermis en het circus waren zijn eerste inspiratiebronnen, niet de sfeer van het literaire, intellectuele cabaret waarbij hij zich nooit thuis heeft gevoeld. ,,Theater is magie,' zei hij. ,,Niet een mededeling, maar magie.' Hij kon, thuis op de bank, als een interviewer hem voor de zoveelste keer naar het geheim van zijn succes vroeg, een kussen pakken, er met een wijsvinger in prikken, de achterkant laten zien – en opeens was er met zo'n ding iets aan de hand. Die toverkracht betekende meer voor hem dan een slimme grap over de actualiteit.

Zijn eerste grote voorbeeld was de vooroorlogse theaterclown Johan Buziau, die die kunst eveneens verstond. Toen hij in 1942 in Amsterdam debuteerde, stond er dan ook een Buziau-imitatie op zijn repertoire. Zijn eerste liedjes maakte hij in de stijl van Louis Davids, met een dun stemmetje dat ietwat slepend van malle gebeurtenissen verhaalde. Hij liet zich in die tijd fotograferen met een zwierige artiestenhoed en liet een dun snorretje groeien dat hem het uiterlijk van een Franse chansonnier gaf. In diezelfde Franse sfeer maakte hij begin jaren vijftig ook zijn eerste theaterprogramma's Ballot en Zaza, met kolderversjes, zotte gedachtenspinsels en decors die aan folders vol Parijse terrasjes deden denken. Veel jonge artiesten debuteerden bij hem, maar een doorslaand succes werden die voorstellingen niet. Datzelfde gold voor de film Moutarde van Sonansee (1959) die hij zelf schreef en regisseerde, onder de invloed van Chaplin, Tati en de visuele grappen die Bert Haanstra in Fanfare had gemaakt. Hij speelde een dromerig mannetje dat niet op zijn plaats was in een harde, materialistische maatschappij. Maar aan de droomscènes en de kleine grapjes was geen touw vast te knopen.

Zijn beste vorm had Toon Hermans toen echter al gevonden in de one man show die hij als genre in Nederland introduceerde. Eind jaren vijftig begon hij daarmee, en de eerste was al meteen raak. Hij zong zijn odes aan de ballon en aan de Middellandse Zee, hij speelde de voorzitter die een dankwoord vol onverstaanbare zinswendingen en onzinnige uitwijdingen sprak (,,mijn broer, die zelf banketbakker is...') en hij zette een feestneus op om met opgezette krop een galmend toespraakje te houden: ,,Men heeft mij gevraagd om vanavond een enkel woord tot u allen te richten, en dat wil ik dan nu gaarne gaan richten...' Superieure flauwekul was dat, waarin zijn hang naar surrealisme en zijn on-Nederlandse lichtvoetigheid prachtig samengingen met de Hollandse gezelligheid, het verkneukelen en het wegwerpende gebaar van: ah joh, dit is allemaal onzin.

Voor zalen die ongeremd om hem schaterden, zong hij liedjes met de tijdloze kwaliteit van chansons (De appels op het tafelsprei, 24 rozen) of het effect van een carnavalsmeezinger (Mien waar is mijn feestneus) en balanceerde als een duivelskunstenaar met een minimum aan materiaal. Met een steek op vertelde hij over het aanzitten aan een diner en de gehaktbal die aan tafel voorbijkwam, met een tropenhelm op hield hij een lezing over vogelgeluiden (polifenario!) en zelfs aan een lege stoel had hij genoeg voor een hilarisch verhaal. Als het in interviews over zijn vakmanschap ging, hield hij zich graag van de domme, maar in werkelijkheid was hij een geniaal vakman die onverbeterlijk was in de herhaling en in de timing van het volgende woord. Wie zijn teksten letterlijk uitgetypt na zou lezen, zou niet begrijpen wat er zo leuk aan was. Maar als hij aan het woord was, wist hij precies hoe hij de golven van hilariteit zo hoog kon doen oplaaien.

In een latere show, in 1985, stak Toon Hermans een beetje de draak met de bloemetjes en bijtjes waarmee hij zo vaak was bespot, en hij deed nog eens voor hoe hij in die eerste shows op het toneel stond: als een kirrende malloot met schuddende vuistjes en hoge gilletjes van de voorpret. Dat was een treffende karikatuur, door de meester zelf, maar hij maakte niet duidelijk waarom zijn publiek destijds buikpijn van het lachen had gekregen. Hoewel het zelfportret wel een beetje klopte, liet hij daaruit weg hoe nieuw, hoe verrassend en vooral ook hoe geraffineerd het destijds allemaal was geweest.

Na een paar halfslachtige pogingen tot buitenlands succes, keerde hij terug met shows die minder baanbrekend waren maar waar toch altijd nog wel een gaaf liedje of een treffende conférence (zoals het meesmuilende verhaal over Sinterklaas) in zat. En uit die latere periode dateert ook de goochelaar wiens duif dood is, een toonbeeld van tragikomedie dat misschien wel zijn allermooiste nummer is. Allengs kon hij ook gerieflijk leunen op grandioze reputatie – zodra hij, al oud en grijs geworden, ten tonele verscheen, oogstte hij een applaus vol verwachting en dankbaarheid.

Buiten het theater schilderde Toon Hermans naïeve, verstilde schilderijtjes en hij schreef gedichtjes waarvan in diverse bundels topoplagen werden verkocht. Zijn berijmde overpeinzing over het wezen van vriendschap heeft al tientallen keren in overlijdensadvertenties gestaan.

Nu hij is overleden, duikelen de herinneringen over elkaar heen. Maar ze gaan vooral over de manier waarop hij ons, onbedaarlijk, aan het lachen heeft gemaakt. Zoals hij dat kon, zo heeft geen enkele andere Nederlandse artiest dat ooit gekund.

    • Henk van Gelder