Het Bureau

De Paasdagen waren een uitgelezen mogelijkheid om met volle kracht door Afgang, het zesde deel van Het Bureau van J.J. Voskuil, te stomen. Dat heeft zo'n boek nodig. Niet af en toe vijftig paginaatjes, nee, liefst een paar honderd op één dag, als een soort literaire Engelse drop, waar je geen genoeg van kunt krijgen – als het goed is.

Wás het goed? Voor mij wel, en ik heb dan ook met enige verbazing geconstateerd dat het boek alweer van de bestsellerlijsten is verdwenen. Is de Voskuil-koorts aan het wegebben? Dat zou jammer zijn, want dit laatste deel is weer op hetzelfde niveau van de eerste drie delen. Ook ik heb moeite gehad met deel vier en vijf: Het A.P. Beerta-Instituut en En ook weemoedigheid. Ze waren me te statisch en te uitvoerig, en het lijkt me dan ook geen toeval dat die twee delen met bijna duizend pagina's tot dusver de dikste pillen uit de reeks zijn.

In Afgang gebeurt meer dan in die twee voorgaande delen samen. De spanningen tussen Maarten Koning en zijn omgeving lopen zienderogen op. Sommige collega's keren zich uiterst vijandig tegen hem, en hij krijgt zelfs een klap van zijn vrouw Nicolien die nóg nadreunt in mijn oren. Verder overlijden er belangrijke personages als de moeder van Nicolien, Frans Veen en niemand minder dan Beerta, die toch het eeuwige leven leek te hebben. Er wordt ook veel vervroegd uitgetreden: in weinig Nederlandse boeken zal zo hartstochtelijk gebruik zijn gemaakt van de vut. (Het kon nog!)

Voskuil noteert al deze kleine en grote drama's weer op de nuchtere, ingehouden wijze, die zijn proza de geladenheid geeft van het werk van grote voorgangers als Elsschot, Alberts en Hotz. Ingehouden, zei ik, maar ik moet een uitzondering maken voor enkele passages waarin Koning lucht geeft aan onversneden mensenhaat. Hij doet dat daar explicieter dan ik me uit vorige delen herinner. Koning wordt niet milder met de jaren, integendeel.

,,Bijna alle mensen hebben rotkoppen'', stelt hij als toeschouwer op Koninginnedag vast. En als hij later in het Haagse café De Posthoorn zit, schrijft Voskuil: ,,Vandaar keken ze van achter hun jenever en hun bitterballen naar de onwaarschijnlijke verzameling rechtse rotkoppen die in deze kleine ruimte bijeen waren gebracht. Daar zaten de mensen die zich met veel bedrog uit de Fahrenheitstraat omhoog hadden gewerkt, zich zat hadden gedronken en gegeten, en daar nu van uitrustten.''

Dat is de taal van een woedende man.

Tegen het einde van het boek, als Nicolien de paascantates(!) van Bach heeft opgezet, schrijft Voskuil over Koning: ,,En vervolgens kwam hij als zo vaak tot de slotsom dat hij in tegenstelling tot vroeger geen grein geloof meer had in de beheersbaarheid van de mens en de maakbaarheid van het leven. Wat hij vroeger, toen hij er nog wel in geloofde, trouwens ook al zei. De mens is een beest. Maar het was nog veel erger dan hij toen al wist.''

Kortom, ik had een gelukkig Pasen.