De schaatsmeester

Hij is de oude meester van het ijs, de man die Nederlanders eigenlijk heeft leren hardschaatsen. Op zijn gedreven, onderwijzende toon doet hij dat al bijna dertig jaar. Soms iets te nadrukkelijk op de wijze die hij als (oud-)militair gewend is, want discipline heeft bij hem altijd hoog in het vaandel gestaan. Maar nooit is Leen Pfrommer een plaag voor zijn pupillen geweest. Eerder een strenge vader die altijd het beste voor heeft met zijn opgroeiende kinderen.

Nog steeds, al bijna 65 jaar oud, staat Pfrommer op het ijs – of op z'n minst aan de rand van het ijs. Volgend seizoen wéér, dan als coach van een nieuwe Nederlandse ploeg rond Marianne Timmer en Ids Postma, schaatsers die hij al in hun juniorentijd naar de wereldtop leidde. Want vergeet nooit dat Pfrommer oog heeft voor jonge talentvolle schaatsers. Hij kweekt ze als het ware in zijn lommerrijke tuin in Ermelo en legt ze wanneer ze bijna rijp zijn in de vrieskist om ze te laten wennen aan de koude winters. Ome Leen is een fervent schaatserskweker.

Net als vroeger is Pfrommer nog steeds een man met zijn eigen strenge normen en waarden. Van de generatie voetballers van deze tijd zou hij gruwen. Jongens met een grote mond – uit de randstad bijvoorbeeld – roepen irritatie bij hem op. Eenvoudige jongens en meisjes die niet rondbazuinen dat ze in een handomdraai de wereld gaan veroveren, boezemen hem meer respect in. Friezen, Groningers, Drenten, jongens uit Gelderland, Overijssel, de kop van Noord-Holland en de dorpen van Zuid-Holland hebben iets wat Pfrommer wel kan waarderen. Op die jongens en meisjes heeft hij ook meer greep, omdat zij zich eerder voegen naar zijn ideeën van topsport beleven.

Pfrommer heeft zowat een dozijn wereldkampioenen gemaakt. Hij was de stuwende kracht achter de ondoorgrondelijke olympisch- en wereldkampioen Ard Schenk en achter de eigenzinnige en bijna even grote kampioen Kees Verkerk. In de tijden van Ard en Keessie (en Jan Bols) was Pfrommer de baas. Klein, maar onvermijdelijk, met altijd hetzelfde ijsmutsje – mèt pluim – op zijn vierkante legerhoofd.

Toen de Noren Stensen, Stenshjemmet, Storholt en Sj⊘brend zich op een training in een nauwsluitend schaatspak vertoonden, noemde Pfrommer de vier S-en cynisch `maanmannetjes'. De aerodynamische evolutie heeft hij altijd kritisch gevolgd. Het ging hem vooral om talent, kracht en discipline. Niet dat hij niet openstond voor nieuwe ontwikkelingen. Integendeel, want hij was altijd aanwezig en een en al oor bij uitwisselingen van coaches uit verschillende sporten. Van de psychische en fysieke rijping wilde hij alles weten. Voor de overwaardering van trends had hij een zesde zintuig.

Cabaretesk waren zijn bijdragen als co-commentator voor de televisie bij schaatstoernooien. Hij leefde mee alsof hij nog steeds de coach was. Legendarisch is de verbazing die hij voor de microfoon uitte nadat Hilbert van der Duim was vergeten van baan te wisselen. `Hilbert, Hilbert, jongen toch, Hilbert, wat doe je nou? Let toch op!' Zo ongeveer verwoordde hij schreeuwend, vermanend en bijna huilend zijn betrokkenheid. Of: wat een Friese dromer een nuchtere Geldersman kan aandoen. Hij was een vader die verdriet had om zijn zoon die zijn talent vergooit. De jeugd – de Nederlandse of zoals de laatste jaren de Noorse – heeft Pfrommer altijd gefascineerd. Niet omdat ze makkelijk te drillen zijn, maar omdat hij graag jonge mensen ziet ontluiken. Kinderen die iets van hun leven willen maken zijn kinderen naar Leen Pfrommers hart.