Begeleiders van de dood

,,We hielpen de Duitsers om de mensen tot het laatst te bedriegen'', zegt de Pools-joodse Zosia. Met een lotgenote loopt ze door het hoge gras langs de barakken van het voormalige concentratiekamp Auschwitz-Birkenau, op zoek naar haar verleden. Voor het eerst sinds meer dan een halve eeuw is ze teruggekeerd om voor de camera haar relaas te doen over haar tijd in het vrouwenorkest van het kamp. Samen met zo'n veertig bevoorrechte lotgenoten – van wie er in de documentaire La Chaconne d'Auschwitz twaalf zijn geïnterviewd – speelde ze Dvorák, Mozart en Léhar wanneer de gedeporteerde joden per trein arriveerden, geselecteerd werden en de gaskamer ingingen. ,,Na een tijdje leefde niemand meer. En wij speelden maar door'', zegt Zosia.

Het vrouwenorkest werd in 1943 door de SS opgericht om de kampleiding te vermaken en de joden tot op het laatst het gevoel te geven dat het allemaal wel meeviel in het `werkkamp' vlakbij het vriendelijke dorpje Auschwitz. Het orkest bestond uit meer dan 40 jonge vrouwen uit heel Europa, van wie bij aankomst in het kamp was gebleken dat ze een instrument bespeelden. Zo vertelt de Belgische violiste Hélène hoe ze auditie moest doen en met tranen in haar ogen de Chaconne van Bach speelde. Op dat moment besefte ze nog niet dat haar vioolspel haar het leven had gered, want de orkestleden werden gespaard.

Maar ook al genoten de musici allerlei voorrechten, zoals een dagelijkse warme douche, toch dachten sommigen onder hen iedere ochtend dat ze de avond niet zouden halen. Zo bekent de Française Violette Silberstein dat ze extra haar best deed als SS-arts Mengele bij een uitvoering aanwezig was. Op die manier hoopte ze, als ze zelf in de gaskamer mocht belanden, de maximale dosering te krijgen om zo min mogelijk te lijden.

Dirigente van het orkest was Alma Rosé, een nicht van Gustav Mahler, die met de (amateur)musici meer dan honderd stukken instudeerde. Vrijwel alle twaalf vrouwen worden geïnterviewd zijn vol lof over haar. Ze moet een plaatsvervangende moeder zijn geweest, die hen voortdurend moed insprak.

Regisseur Michel Daëron laat op een bijzonder integere manier zien hoe de vrouwen met de verschrikkingen uit hun kampverleden omgaan. Sommigen kunnen of willen zich bijna niets meer herinneren van de hel waarin ze hun dierbaren hebben verloren; ze zijn hard of wezenloos geworden. Terwijl Zosia zich tot in de details weet te herinneren hoe tijdens het spelen op een nachtelijke SS-orgie de wrede trekken op de beulsgezichten door de zoete tonen van de muziek werden verzacht.

Ronduit beklemmend is het relaas van de Tsjechische gitariste Margot, die vertelt hoe de orkestleden bij de aankomst van nieuwe Hongaarse transporten de tekst van het Oostenrijkse operette-liedje Im weissen Rössl am Wolfgangsee/ Da steht das Glück vor der Tür moesten meezingen. ,,Al die tijd huilden we, want we hadden het angstige gevoel dat we het als afscheidslied zongen. En dat daarna ook wij de gaskamer zouden ingaan.'' Ze kan de hele tekst nog uit haar hoofd opzeggen, maar dan stokt haar stem en blijkt hoe groot haar verdriet na al die jaren nog is.

Dokument: La Chaconne d'Auschwitz, Ned.1, 23.01-0.51u.