Volledige nucleaire ontwapening is utopie

Maandag begint in New York de zesde toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag. Het ontstaan van `zelfverklaarde' kernwapenstaten en de militaire doctrines van de `officiële' nucleaire machten stemmen niet tot optimisme, vindt Kees Homan.

Het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) is het enige voor de gehele wereld geldende juridisch bindende instrument tegen de verspreiding van kernwapens. Het erkent de status van kernwapenstaat van vijf landen (China, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten) en het verbiedt de verwerving van kernwapens door de andere 182 verdragspartijen.

India, Pakistan, Israël en Cuba zijn de enige landen die geen partij zijn. India en Pakistan zijn sinds hun kernproeven in 1998 `zelfverklaarde' kernwapenstaten. Officiële kernwapenstaten zijn volgens het NPV alleen de landen die over een nucleair wapen beschikten voor 1 januari 1967. Erkenning van India en Pakistan als nieuwe kernwapenstaten door een van de verdragspartijen zou dan ook een inbreuk zijn op het verdrag. Israel staat bekend als `drempelstaat'. Het is echter een publiek geheim dat het land over kernwapens beschikt.

Hoewel op de vorige toetsingsconferentie in 1995 tot onbepaalde verlenging van het NPV werd besloten, stemmen naast de kwestie van nieuwe kernwapenstaten ook andere ontwikkelingen niet tot optimisme. Voorwaarde voor onbepaalde verlenging van het NPV was onder meer de totstandkoming van een kernstopverdrag. Hoewel dit verdrag in 1996 werd gesloten, vormde de weigering van de Amerikaanse Senaat in oktober 1999 dit `kroonjuweel van het non-proliferatiebeleid' te ratificeren een ernstige tegenslag. De VS zijn één van de 44 landen waarvan de ratificatie van dit verdrag onontbeerlijk is voor de inwerkingtreding. De pogingen van de afgelopen jaren om een verbod op splijtstofproduktie te realiseren zijn ook op een dood spoor beland.

Bovendien achten de kernwapenstaten de rol van nucleaire wapens in hun militaire doctrines nog steeds van vitaal belang voor hun nationale veiligheid. De nieuwe Russische doctrine legt zelfs een grotere nadruk op nucleaire wapens wegens de inferioriteit die ten opzichte van de NAVO is ontstaan op het terrein van conventionele wapens. En in de nieuwe Amerikaanse doctrine dienen kernwapens niet langer alleen om een aanval met kernwapens af te schrikken, maar ook die met chemische en biologische wapens. Dit laatste lijkt overbodig want de VS kunnen hier een overkill aan conventionele precisiewapens tegenover stellen.

Ook de Amerikaanse plannen om National Missile Defense (NMD) te stationeren zullen een negatief effect op de toetsingsconferentie hebben. Het betreft hier een anti-raketsysteem ter verdediging van het Amerikaanse grondgebied tegen raketten van `schurkenstaten' zoals Noord-Korea en Iran. De Russen weigeren vooralsnog hun medewerking aan een aanpassing van het ABM-verdrag, die voor een NMD vereist is. Een aantal Republikeinen heeft al voorgesteld indien de besprekingen met de Russen niet slagen, het ABM-verdrag op te zeggen. De Russische president Poetin heeft gedreigd dat indien de VS zich niet aan het ABM-verdrag houden, Rusland zich uit alle wapenbeheersingsbesprekingen zal terugtrekken.

China is bang dat invoering van NMD de afschrikking van zijn kleine kernmacht tenietdoet en verkrijgt dankzij NMD een goede legitimatie voor de reeds geplande uitbreiding van zijn nucleaire rakettenarsenaal. De vrees bestaat dat door invoering van NMD een nieuwe wapenwedloop ontstaat. Het is immers een bekend militair axioma dat de ontwikkeling van defensieve wapens altijd langzamer gaat dan die van offensieve.

In de VS valt de laatste jaren in hun anti-proliferatiebeleid een verschuiving te constateren van wapenbeheersing naar het nemen van militaire tegenmaatregelen, zoals NMD. De opheffing van het gezaghebbende Arms Control and Disarmament Agency (ACDA) het afgelopen jaar, is een ander voorbeeld.

Het enige lichtpuntje vormt de recente ratificatie door de Doema van START-II, waardoor eindelijk onderhandelingen over een START-III verdrag mogelijk zijn. Van groot belang zal zijn dat hierbij ook de tactische kernwapens worden betrokken. Dit zou zou een goede zaak zijn, want in tegenstelling tot de strategische `pure afschrikkings-wapens' zijn tactische nucleaire wapens meer `gevechtswapens'. Over de tactische kernwapens bestaat echter weinig inzicht omdat ze onder geen enkel wapenbeheersingsregime vallen. Zo lopen de schattingen over het Russische tactische nucleaire arsenaal uiteen van 7.000 tot 22.000 kernkoppen. Bij START-III zou gestreefd moeten worden naar een volledige afschaffing van deze wapens.

Op de toetsingsconferentie zal het duale karakter van het NPV opnieuw tot spanningen leiden. De kernwapenstaten beschouwen het NPV vooral als instrument om proliferatie tegen te gaan, terwijl de niet-kernwapenstaten de nadruk leggen op de verplichting in het verdrag om tot nucleaire ontwapening te komen. Artikel VI van het NPV verplicht alle partijen te onderhandelen over vermindering van de nucleaire arsenalen en volledige ontwapening.

Totale nucleaire ontwapening is echter een utopie. Het is een `fact of life' dat de kennis voor het vervaardigen van kernwapens blijft bestaan. In een kernwapenvrije wereld zou dit tijdens een crisis een bijzonder instabiele situatie kunnen veroorzaken, omdat de betrokken partijen weer snel tot de aanmaak van kernwapens kunnen overgaan. Ook adequate verificatie vormt een groot probleem indien kernwapens worden afgeschaft. De ervaringen met Irak en Noord-Korea (beide partij bij het NPV) in de jaren negentig illustreren de problemen die aan verificatie verbonden zijn.

Tegenwoordig is de belangrijkste rol van kernwapens echter het afschrikken van het gebruik door anderen. Een doctrine van `pure afschrikking' maakt verdere forse reducties in de kernwapenarsenalen mogelijk. Als de kernwapens onkwetsbaar zijn en hun doel kunnen bereiken is slechts een beperkt aantal kernwapens vereist. Bij zo'n `minimale afschrikking' zouden de VS en Rusland voor START-III moeten streven naar een niveau van 1000 tot 1300 kernwapens. Daarna zouden bij START-IV ook China, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk betrokken moeten worden.

De fundamentele vraag bij het NPV is en blijft: hoe belangrijk is nucleaire proliferatie en welke prijs in termen van vermindering van nucleaire wapens zijn de kernwapenstaten bereid te betalen om de doelstelling van non-proliferatie te bereiken.

Generaal-majoord b.d. der mariniers Kees Homan is verbonden aan het Instituut Clingendael.