Te smal, te lang, te smal of verkeerd geplaatst

De omvang van de ecologische hoofdstructuur zegt niet zoveel. Hebben de dieren en planten er iets aan? Vaak niet, zegt de landschapsecoloog Paul Opdam. Meer dan de helft van de verbindingszones zijn niet effectief.

`De Ecologische Hoofdstructuur is een ijzersterk concept. Probleem is alleen dat het van een idee meteen een plan-in-uitvoering is geworden. Bij nader inzien is al die nieuw geplande natuur nog veel te veel versnipperd. Een beter aankoopbeleid met meer oog voor de ruimtelijke samenhang levert veel meer natuurkwaliteit voor het zelfde geld.'' Aan het woord is landschapsecoloog prof.dr. Paul Opdam. Donderdag hield hij in Wageningen zijn inaugurele rede als hoogleraar. Naast zijn baan als hoogleraar, voor één dag per week, is Opdam hoofd van de 60 mensen sterke afdeling landschapsecologie van het Wageningse onderzoeksinstituut Alterra.

``Iedereen heeft zijn eigen kijk op het landschap'', zegt Paul Opdam. ``Schilders als Van Goyen, Van Gogh en Mondriaan zien het landschap met heel verschillende ogen. En kijk, dit is de visie van Paul Klee.'' Aan de muur van zijn werkkamer hangt een reproductie van `Schwänkendes Gleichgewicht' – een lappendeken van kleurige vlakken, verbonden door allerlei pijlen. Toen Opdam die in een bak met posters ontdekte had hij als landschapsecoloog meteen een soort Aha-Erlebnis. ``Hier is de metapopulatietheorie verbeeld. Je kunt het versnipperde Nederlandse landschap opvatten als een netwerk van kleine natuurgebiedjes waarin plant- en diersoorten plaatselijk uitsterven en weer terugkeren in een dynamisch evenwicht. Al die kleine deelpopulaties kunnen samen een stabiele metapopulatie vormen, waardoor soorten in te kleine leefgebieden toch nog kunnen voortbestaan.''

Landschapsecologen proberen te begrijpen hoe de landschapspatronen, die je vanuit het vliegtuig als een lappendeken ziet, de voorwaarden stellen voor het overleven van planten en dieren. ``Als je weet hoe veranderingen in het landschap uitpakken voor het voortbestaan van soorten, kun je omgekeerd ook aangeven hoe je het landschap kunt verbeteren om voor meer biodiversiteit te zorgen'', zegt Opdam. ``Dat is het onderwerp van mijn leerstoel.''

Tal van organismen zoals de loopkever, de grote karekiet en de zandhagedis beleven het landschap elk op hun eigen manier. Waar de das gesteld is op een afwisselend landschap met akkertjes, weiden en houtwallen gebruikt de loopkever van dat zelfde landschap zijn hele leven lang maar één klein stukje houtwal als leefgebied. Een boomkikker ziet diezelfde houtwal als verbindingsweg in het landschap, een grutto met jongen juist als barrière.

Opdam: ``Omdat er wel 30.000 verschillende soorten planten en dieren in Nederland leven, hebben we ze ingedeeld in groepen. Als je eenmaal op hoofdlijnen kunt aangeven hoe verschillende groepen op veranderingen in het landschap reageren, kun je daar modellen van maken.'' Zo staat de zandhagedis model voor beesten met een kleine actieradius en grote gevoeligheid voor barrières in het landschap. Op een fietspad worden bij mooi weer zonnende zandhagedissen doodgereden, bij een drukke autoweg haalt geen enkele zandhagedis de overkant. Daardoor zal een ogenschijnlijk aaneengesloten natuurterrein voor de zandhagedis uit diverse geïsoleerde leefgebiedjes bestaan. In elk van die terreintjes lopen de zandhagedissen de kans om door toevallige oorzaken uit te sterven en als dat eenmaal gebeurt, keren ze niet op eigen kracht terug. De heivlinder, die kan vliegen, heeft ook een kleine verspreidingsafstand, maar kan wel over wegen heen vliegen en is daardoor minder gevoelig voor barrières in het landschap.

In een versnipperd landschap met her en der kleine bosjes zul je de wielewaal in sommige bosjes wèl en in andere bosjes niet horen zingen. Toeval? Of een gevolg van de ruimtelijke patronen in het landschap? In een klein bosje dicht bij een groter gebied zullen meer vogelsoorten voorkomen dan in een geïsoleerd bosje temidden van uitgestrekte maïsvelden, en hoe groter het bosgebied, hoe meer bosvogels.

Opdam: ``Door het afwisselend verschijnen en verdwijnen van lokale populaties ontstaat een knippereffect, als van lampjes op een controlebord. Grote lampjes branden bijna altijd, kleine lampjes knipperen vaak en vooral aan de rand van het bord zijn ze vaak uit.''

Zo is het ook met de kleine deelpopulaties van eekhoorns, boomkikkers, roerdompen of heideblauwtjes. Van hun leefgebiedjes is op elk willekeurig moment misschien maar tweederde bewoond, de rest staat leeg. Een metapopulatie heeft dus altijd een veel groter leefgebied nodig dan de dieren of planten werkelijk bezetten. Doordat de soorten maar een deel van hun potentiële leefgebied gebruiken, boeten ze in op hun groeikracht en herstelvermogen. Elke winter sterft gemiddeld 25 tot 35 procent van de roerdompen, in strenge winters nog veel meer. Van de rietzangers sterft jaarlijks 45 tot 55 procent. Bij droogte in hun Afrikaanse overwinteringsgebied de Sahel krijgen ze nog veel grotere dreunen. En hoe meer versnipperd hun Nederlandse leefgebied, hoe trager het herstel van de droogte in Afrika, zo blijkt uit onderzoek van Alterra. Insecten en vlinders schommelen nog veel meer in hun aantallen. Daarmee stijgt de kans dat de hele metapopulatie definitief uitsterft. Bosplanten herstellen zich nog veel trager. Het overbruggen van een afstand van enkele honderden meters kan meer dan een eeuw duren. Een vuistregel is dat een metapopulatie niet duurzaam is als minder dan de helft van de plekken is bezet.

Het natuurbeleid onderscheidt een aantal doelsoorten, die men duurzaam wil laten voortbestaan. Met `duurzaam' wordt bedoeld dat zo'n populatie minder dan vijf procent kans loopt om binnen honderd jaar uit te sterven. Opdam: ``Voor soorten die regelmatig klappen krijgen, bijvoorbeeld van strenge winters, moeten de leefgebieden beter aan elkaar gekoppeld zijn dan voor soorten die minder aantalsschommelingen vertonen. Er zijn lang- en kortlevende soorten, soorten met grote en kleine mobiliteit, zwervers en blijvers. Als je genoeg inzicht hebt in die variabelen kun je randvoorwaarden stellen aan de ruimtelijke planning, en modellen maken van de overleving en verspreiding van soorten in het landschap.''

zendertjes

Daar zitten allerlei valkuilen in. De verleiding is groot om daarin allerlei biologische details op te nemen, maar te veel variatie maakt de modellen al snel onwerkbaar. Ook over de aannames over het al dan niet geschikt zijn van leefgebieden valt te twisten. Soms worden de veronderstellingen experimenteel onderbouwd, bijvoorbeeld door bosplanten in een bosje uit te zaaien en te kijken of ze aanslaan. Slaan ze aan, dan is het leefgebied blijkbaar in orde en was vooral de bereikbaarheid van het bosje het knelpunt. Ook met dieren worden verspreidingsexperimenten gedaan, bijvoorbeeld door ze zendertjes om te doen. ``Maar niet elke soort leent zich daarvoor en bovendien zijn we dan over honderd jaar nog niet klaar'', zegt Paul Opdam. ``Daarom moet je aannames doen over de geschiktheid van leefgebied X voor soort Y.''

Opdam's groep werkt met verschillende soorten computersimulatiemodellen. In modellen op soortniveau worden de lotgevallen van individuen gevolgd. Zulke modellen bestaan voor das, moerasvogels als roerdomp en rietzanger, de boomklever als model voor een bosvogel, en de boomkikker. Aan een model voor vlinders wordt gewerkt.

Daarnaast zijn er minder gedetailleerde metapopulatiemodellen, bijvoorbeeld voor `een vliegend insect' of `een lopend insect', een klein zoogdier of `een vogel die veel last heeft van milieu-fluctuaties', zoals de rietzanger. Opdam: ``Met zo'n model kun je dan bijvoorbeeld 100 theoretische landschappen doorrekenen, die eindeloos variëren, bijvoorbeeld in hun percentage bos en de ruimtelijke verdeling daarvan: gelijkelijk verspreid of alles in één hoekje. Dan kun je bijvoorbeeld bepalen bij welke mate van versnippering van een leefgebied een bepaalde vogelsoort het nog zal redden.''

Twee jaar geleden werd in opdracht van Vogelbescherming Nederland een metapopulatiemodel voor moerasvogels gemaakt. In het model zitten kaartjes met alle moerasgebieden waar bijvoorbeeld de grote karekiet voorkomt. Het model voorspelt hoe de populatie grote karekieten door de jaren heen zal veranderen.

Elk jaar heeft elk individu een bepaalde sterftekans, die uit de literatuur bekend is. Die kans kan de modellenbouwer laten variëren, afhankelijk van de vraag of dit een rampjaar – strenge winter – zal zijn of niet. Hetzelfde gebeurt ook voor geboortekansen en kans op vestiging op een nieuwe plek. Al die factoren lopen in het model mee. Op den duur kun je dan een heel landschap simuleren.

Hoe groter het natuurgebied, hoe beter het beschermd is tegen invloeden van buitenaf. Opdam: ``Investeren in grotere eenheden levert een veel betere natuurkwaliteit op dan wanneer je datzelfde areaal verspreidt over allemaal losse snippers. Want uit de metapopulatietheorie zagen we al dat een deel van die gebieden leeg staat.''

Voor de Ecologische Hoofdstructuur wordt tot het jaar 2018 maar liefst 150.000 hectare reservaats- en natuurontwikkelingsgebied aangekocht. Volgens de Natuurbalans 1999 moest nog ruim de helft daarvan worden aangekocht en ingericht, waarvoor 5,5 miljard gulden is begroot. ``Daarbij moet men veel meer sturen op ruimtelijke samenhang'', betoogt Opdam. ``De politieke discussie over de uitvoering van de Ecologische Hoofdstructuur heeft zich verengd tot het realiseren van de taakstelling aan oppervlakten. Maar het gaat er vooral ook om wáár je die gronden aankoopt.''

Kijk bijvoorbeeld naar de genoemde moerasvogels. Anno 1990 was voor geen van die vijftien soorten hun voortbestaan duurzaam verzekerd, zo blijkt uit de rekenmodellen. In de Ecologische Hoofdstructuur komt er 15.000 hectare moerasgebied bij. ``Maar zoals die plannen er nu uitzien zal nog steeds geen enkel gebied de moerasvogels voldoende beschermen'', zegt Opdam. ``Je moet dan maar hopen dat die moerassen dicht genoeg bij elkaar liggen, zodat die vogels kunnen pendelen. Door beter te sturen op grote eenheden natuur, zou je veel dichter bij een duurzame natuurkwaliteit komen. In grotere gebieden is de kans om uit te sterven door een toevallige samenloop van vervelende omstandigheden veel kleiner. Bij een optimale aanpak kun je, schat ik, wel 25 tot 30 procent meer duurzaam voorkomende soorten per natuurgebied realiseren. Dat is heel wat meer natuur voor hetzelfde geld!''

Provincies moeten meer samenwerken bij het aankopen van gronden voor natuurontwikkeling over de provinciegrenzen heen. Alterra wil hierover later dit jaar met de provincies gaan praten en proberen de samenwerking op gang te brengen. Alterra zou bijvoorbeeld kunnen uitrekenen of men beter kan investeren in uitbreiding van moerassen in West-Nederland of in Noord-West Overijssel. Moet je een groot moeras als de Weerribben in Overijssel vergroten, of maar liever de Weerribben en de Wieden verbinden, of een reeks kleinere moerasgebiedjes verbeteren? Het doorrekenen van diverse inrichtingsvarianten kan heel verhelderend zijn.

Opdam: ``Het concept van de Ecologische Hoofdstructuur is ijzersterk. Maar we moeten het nog optimaliseren. Zoals het plan er nu ligt, komen de verbindingszones in het landschap ook niet altijd op die plekken waar planten en dieren een verspreidingsprobleem hebben. Een steekproef van ons instituut laat zien dat 57 procent van die zones niet effectief is voor de soorten planten en dieren waarvoor ze bedoeld zijn door een verkeerde uitvoering, meestal zijn die stroken te lang en te smal.''

schetsboek

Volgens Opdam hebben de provincies veel meer verbindingszones bedacht dan voor het nationaal natuurbeleid strikt noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat recreanten daar dan leuk met een bootje doorheen kunnen varen. ``Bovendien is zo'n verbindingszone voor planten en dieren niet zomaar een wandelpad. Het moet ook echt een geschikt leefgebied zijn, waarin ze zich kunnen voortplanten. Veel van die zones zijn daarvoor veel te smal. Ze zijn vaak maar een paar meter breed, dat zouden er tientallen tot honderden moeten zijn. De vraag is nu waar je het geld het beste in kunt steken, waar je de meeste natuur voor je geld krijgt.'' In het binnenkort door Alterra en het ministerie van natuurbeheer te publiceren schetsboek `Kwaliteit door verbinden` wordt de oplossing gezocht in meer recreatief medegebruik van natuurterreinen.

Ook langs de grote rivieren liggen maar twee grote natuurgebieden: De Gelderse Poort bij Nijmegen en de Biesbos. Andere natuurterreinen – zoals de Blauwe Kamer bij Rhenen – zijn nu nog veel te klein om sleutelpopulaties te kunnen herbergen van karakteristieke rivierbewoners zoals de bever, de kwak, de zwarte ooievaar en de grauwe gors. ``Langs de rivieren is nu een kralensnoer van allerlei kleinere natuurontwikkelingsprojecten in gang gezet en op zich is dat mooi'', zegt Opdam, ``Maar daarnaast zijn tussen de Gelderse Poort en de Biesbos nog minstens twee andere grote natuurgebieden van minstens 1000 hectare nodig.'' Toch blijft hij optimistisch. ``In geen ander Europees land wordt op dit moment zo hard aan natuurontwikkeling gewerkt als hier. Ik ben dan ook niet somber gestemd over de Nederlandse natuur. Alleen zullen we daar straks wel met veel mensen in rondlopen.''