OSSENPIKKER LIJKT MEER OP EEN VAMPIER DAN OP EEN HELPER

Een van de mooiste voorbeelden van wederzijds voordeel ligt onder vuur. Roodsnavel-ossenpikkers (Buphagus erythrorhynchus) leverden het ideale aanpassingsverhaal. Het beeld was idyllisch: kleine vogels die op Afrikaanse vlakten reusachtige zoogdieren berijden, ondertussen hun huid schoonmakend. Ze zouden louter parasieten zoals teken eten, ontstekingshaarden schoonmaken, en ook de maden van vliegen uit wonden verwijderen. Vooral de verlichting van de tekenbelasting zou zoogdieren goed uitkomen, en de vogels zelf konden daar goed van leven. Ideaal mutualisme dus, dat de mens zichzelf vaak heeft voorgehouden als voorbeeld.

Pas nu is die klassieker beter onder de loep genomen, en de realiteit valt tegen. Ze zijn bloeddorstig. Cambridge-zoöloog Paul Weeks doet in twee tijdschriften verslag van waarnemingen van de omgang van ossenpikkers met gedomesticeerde runderen(Bos taurus) in Zimbabwe (Behavioral Ecology 11/2: 154-1602: blz. 154-160 en Animal Behaviour 58/6,blz. 1253-59).

Eerst volgde Weeks de verrichtingen van veertig geringde ossenpikkers. De kleine vogels leven inderdaad vrijwel uitsluitend van wat zij aan de huid van wilde zoogdieren en grote huisdieren kunnen ontlenen. Ze bleken zich vooral aan wonden te voeden, in de tweede plaats aan oor-inhoud en verder maakten zij met scharende snavelbewegingen tochtjes langs de vacht. Maar werkelijk waarneembaar teken zoeken en eten bleek maar een heel klein percentage van hun tijd in beslag te nemen. Op speciale ossenpikker-voederplaatsen bleek bloed uit open wonden verreweg het favoriete voedsel. Rond de geliefde open wonden op koeien toonden ossenpikkers veel vaker onderlinge agressie. Vanaf die plaatsen waren ze de door de benadeelde koe ook veel moeilijker te verjagen.

Bij een gecontroleerd veldexperiment liet Weeks vervolgens op sommige flinke koeien wel geruime tijd ossenpikkers toe, op andere niet. Het afsluiten van de toegang voor de vogels veranderde de tekenbelasting niet. En daarbij komt: ossenpikkers blijken de tijd waarin wonden helen aanzienlijk te verlengen, onder meer door aan wondkorsten te knabbelen en bloed te slurpen. Het lijkt er verdacht veel op dat de dieren met achtereenvolgende bezoeken wonden openhouden. En uit de oren aten ze vooral oorsmeer, iets dat de koeien zelf ook konden gebruiken.

Weeks concludeert dat deze resultaten suggereren dat de relatie ossenpikker - zoogdier ingewikkelder is dan eerder werd gedacht. De vermeende parasietenbestrijders zijn zelf deeltijd-parasieten. Vampiervogels.