Oranjegevoel heeft infantiele trekken

Als iets duidelijk wordt in de discussies over de monarchie, dan is het wel dat het Orangisme thuishoort in de categorie van de politieke pathologie, vindt Thomas H. von der Dunk.

Wie als vreemdeling Nederland wil leren kennen, kan het beste langskomen op Koninginnedag. De ene helft van de bevolking grijpt dan de kans aan om jarenlang bijeengespaarde rommel op straat ter verkoop aan te bieden. De andere helft wijdt zich tot meerdere glorie van God, Oranje en Vaderland aan koekhappen, zaklopen, Urker volksdansen en andere vermakelijkheden welke geacht worden aan het staatshoofd en haar entourage kreten van verrukking te ontlokken.

De monarchie vormt anno 2000 een merkwaardig verschijnsel, dat in strijd lijkt met de rationaliteit van de West-Europese samenleving, in het polderland van de no-nonsense-politiek bovenal. Het is een relict uit een tijd, dat velen nog in prinsen en pausen geloofden, in de veronderstelling dat zij krachtens hoge geboorte of goddelijke genade beschikten over een paranormaal verstand. Nog steeds gaat de monarchie gepaard met Jomanda-achtige bijwerkingen, en de Oranje-gekte blijkt zich daarbij geenszins tot het koekhappende deel der natie te beperken, maar zich bij tijd en wijle ook aan de hersenschors van doorgaans intelligente mensen te hebben vastgehecht. Zo toonde zich enige jaren terug ook het respectabele Historisch Genootschap met het nieuwverworven predikaat `koninklijk' op een wijze verguld alsof men meende daarmee een hogere wijding te hebben ontvangen, en boven het alledaags-sterfelijke peil van de niet-koninklijke historische genootschappen te zijn uitgetild. Ik heb zelf ook eens mogen meemaken hoe mensen, die zich even eerder nog als redelijke wezens hadden doen kennen, ineens behept bleken met een verstandelijke handicap. Het was bij de opening van een tentoonstelling op Het Loo, al weer enige jaren geleden. Plotseling waren er overal knikkende knieën en buigende lichamen, gevolgd door een over kabels en camera's struikelend fotografenbataljon. Enorme lichtflitsen in de hal schenen daarop te suggereren dat zojuist de Heilige Maagd Maria in Apeldoorn was neergedaald. Het was prinses Margriet.

De gelukzaligheid die menigeen tentoonspreidde, herinnerde aan de wijze waarop eertijds tegen de Franse koningen werd opgekeken, aan wie eeuwenlang het vermogen werd toegeschreven om door handoplegging de onderdanen van de meest onwaarschijnlijke kwalen te genezen, waarbij het overigens altijd vage psychosomatische klachten betrof en nooit eens een abusievelijk afgezet been. Die genezende werking schijnen de Oranjes in staatkundig opzicht eveneens te bezitten als men op de Telegraafcommentaren dezer dagen af moet gaan. De golf van afkeuring die nu over Thom de Graaf heenspoelt, maakt dan ook duidelijk, dat het Orangisme niet langs de lijnen van de logica is te bevatten, maar veeleer thuishoort in de categorie van de politieke pathologie.

De bedoelde Maria-ervaring was passend voor een tijdperk, waarin het koningschap nog stevig op twee pijlers gegrondvest was: op een idee van goddelijke oorsprong, waarbij de vorst dankzij intensieve contacten met het Hogere weet had van de aardse voornemens van de Voorzienigheid, en op de perceptie van de staat als particulier overerfbaar vorstelijk bezit, waardoor men dus reeds op basis van de juiste baarmoeder op de troon belandde. Aan deze eeuwenlange situatie is door de Verlichting gaandeweg een einde gekomen. De Franse Revolutie heeft vervolgens, toen in 1793 ook uit de koninklijke nek van Lodewijk XVI slechts ordinair rood bloed bleek te spuiten, dit einde van de monarchale idee onherroepelijk gemaakt. Sindsdien vormt het koningschap een historische anomalie, die noch met de in de achttiende eeuw doorgebroken staatsgedachte, noch met de in de negentiende eeuw doorgebroken democratie te rijmen valt. Ons politieke bestel vindt sinds de Verlichting zijn ideologische houvast niet meer in het recht van afstamming, en weet tevens publiek en particulier juist principieel te scheiden.

Het eerste betekent dat iedere maatschappelijke positie niet op grond van geboorte, maar op grond van verdienste verworven dient te worden, dus op grond van eigen talent. En het tweede betekent dat voortaan onderscheid bestaat tussen het runnen van een slagerij en het runnen van een staat, waarbij de bekleders van openbare ambten, conform de democratische grondslag, door de bevolking worden gekozen en daaraan openlijke verantwoording schuldig zijn. Waar dat al voor een dorpswethouder opgaat, is het logisch, dat die persoonlijke verantwoordingsplicht zeker bij een staatshoofd niet zou mogen ontbreken.

Wie dus aan het koningschap, als wezensvreemd element in een moderne democratie, toch een politieke rol wil toemeten, moet daarvoor met heldere argumenten aankomen. De tijd dat men zich alleen op de band van Oranje met God en Vaderland hoefde te beroepen, ligt immers al meer dan twee eeuwen achter ons, ook al heeft misschien nog niet iedereen dat door. Alsof historische lotsverbondenheid een staatkundige kwaliteit op zichzelf zou vormen, die geen nadere toetsing verdient – ook met Philips II van Spanje verbindt ons historisch ons lot. In dat opzicht blijkt de geestelijke ontwikkeling van vele Orangisten sedert de zeventiende eeuw nog weinig voortgeschreden, toen zij ook al niet veel meer te berde wisten brengen dan dat het oude goed was omdat het oud was, en dat men dus opnieuw een stadhouder wilde hebben omdat men er altijd al eentje had gehad.

Aan daadwerkelijke dynastieke verdiensten kan de nationale Oranjemanie in elk geval nauwelijks liggen, en daarom zou het ingeval van historische lotsverbondenheid toch moeten gaan. Zeker, er is geen historicus te vinden, die twijfelt aan de betekenis van de eerste vijf stadhouders, van Willem van Oranje tot Willem III, maar met de laatste stierven deze bekwame Oranjes in de mannelijke hoofdlijn uit. Toen kregen wij, met enige stadhouderloze vertraging, de zijtak Nassau-Dietz. Dat bleek geen succes. Het leverde eerst drie generaties op die ijver met inzicht verwarden, en dat daarin in de vierde verandering kwam, was slechts omdat het koning Willem II niet alleen aan het inzicht, maar ook aan de ijver ontbrak. Over Willem III kan beter gezwegen worden – dat doen de angstvallig gesloten gehouden koninklijke archieven eveneens. Van dit tweede vijftal was alleen koning Willem I enigszins op zijn taak berekend. Als men voor elke cruciale beroepsgroep met zo'n score genoegen zou nemen, stond het er met Nederland slecht voor. Om dan de monarchie op verdienste te willen grondvesten, is derhalve wat riskant. De democratie moest immers op de Oranjes veroverd worden, en de nationale staat uiteindelijk evenzeer.

Stadhouder Willem IV gaf niet thuis toen de Doelisten na 1747 zijn steun zochten om de burgerij meer invloed te bezorgen ten koste van de regentenoligarchie. In de Patriottentijd, veertig jaar later, stond Willem V al bij voorbaat aan de foute kant. Dat hij voor zijn ambt ongeschikt was, heeft hij zelf ook eens ruiterlijk erkend, maar de meest voor de hand liggende conclusie trok hij niet. Dat moesten de Bataven in 1795 voor hem doen, alvorens eindelijk de hoogst noodzakelijke hervormingen door te kunnen voeren die een eeuwlang waren blijven liggen. Zij schiepen met Franse hulp de moderne eenheidsstaat, die daarop door Lodewijk Napoleon – de beste koning die Nederland ooit heeft gehad – werd voltooid. De gedeeltelijke zelfbevrijding van 1813 was het werk van Van Hogendorp en de zijnen, niet van Willem I. Die viel in een redelijk gespreid bed, en heeft gedurende zijn autoritaire bewind alleen de belangrijkste opgave – de vereniging met België – door eigen koppigheid verknald.

Onder zijn zoon schonk Thorbecke ons een grondwet die qua moderniteit ver achterbleef bij de Bataafse van 1798 en scheepte ons op met een staatsrechtelijk monstrum waarvan het beginsel van koninklijke onschendbaarheid regelmatig op een praktijk van koninklijke bemoeizucht is gebotst. Er heeft zich daardoor een geheel eigen staatkundige variant op de katholieke leer van de transsubstantiatie ontwikkeld, waarbij het lichaam van het staatshoofd op politiek pikante momenten verandert in dat van de minister-president. Als Beatrix op een Oostenrijkse berghelling uitglijdt, moeten wij denken dat het eigenlijk Wim Kok is die zich daar bezeert, en te oordelen naar zijn groeiende knorrigheid doet dit in toenemende mate pijn.

Nu wordt er steeds weer op gewezen, dat Beatrix slechts de ruimte neemt die de ministers haar laten. Dat is op zich zeker waar, maar daar ligt tevens ook de kern van het probleem. Waar zij, ambitieus als zij is, met haar inzet en ervaring over een enorme kennisvoorsprong beschikt tegenover kortzittende ministers, heeft zij onvermijdelijk invloed op het beleid. Naarmate zij langer regeert wordt die voorsprong ook groter, en het is niet voor niets, dat de gevolgen van haar regeringslidmaatschap nu veel duidelijker zijn dan in het begin. Daarbij komt dat Nederland in extreme mate een conflictmijdende samenleving is, waar alles zoveel mogelijk in vreedzaam overleg wordt opgelost. Met een goed voorbereide koningin als vaste gesprekspartner is de neiging dus groot om aan harerzijds dringend verwoorde wensen gemakshalve maar toe te geven, want terwijl ministers komen en gaan, zit zij er morgen nog steeds.

Daarbij komt nog een tweede factor, en dat is de wijdverbreide hoofse mentaliteit. Veel problematischer dan de monarchie zijn immers vanouds de monarchisten, en het zijn de monarchisten die de monarchie tot een democratisch probleem maken door geen republikeinen te zijn. Zou de koningin slechts door volwassen burgers zijn omgeven, dan was er niet zoveel aan de hand.

Helaas heeft de Nederlandse natie nog niet dat stadium van geestelijke rijpheid bereikt. Integendeel, velen blijken het bestaan van Kamerlid met dat van kamerheer te verwarren. De parlementaire hovelingen buitelen links en rechts over elkaar heen om De Graaf de papierversnipperaar in te krijgen. Sinds de dagen van de menagerie de roi van Willem I lijkt er weinig veranderd. Rex servorum, non rex francorum – gij zijt een koning van slaven, niet van vrijen, zo hield reeds vijf eeuwen geleden de gezant van de republiek Venetië de Franse koning Frans I afkeurend voor, en hij zou zijn woorden nu voor een deel van Nederlands politieke elite moeiteloos hebben kunnen herhalen. Een minimum aan historisch besef had haar moeten leren dat het niet haar eerste impuls zou behoren te zijn om de kroon te dienen, maar om haar te temmen.

De nu zo plots ontbrande discussie heeft dan ook onvermoede lagen van staatkundige stompzinnigheid aangeboord. Zodra het om de Oranjes gaat, verliest heel Nederland zijn verstand. Het VVD-Kamerlid Te Veldhuis maakte met zijn geweeklaag over een tekort aan Oranjewarmte duidelijk dat sommigen in hun politieke ontwikkeling zijn blijven steken op een niveau van ruim vóór Montesquieu, toen men ook nog niet tussen staatkundige instellingen en dynastieke sentimenten vermocht te onderscheiden. Van een parlementariër mag evenwel geëist worden dat hij in staat is om de functionaliteit van een ambt niet met de kwaliteit van de toevallige ambtsdrager te verwarren. Zijn uitspraak lijkt er echter op te duiden dat hij binnen de stenen muren van het Binnenhof niet zoekende is naar de meest adequate inrichting van het staatsbestel, maar naar de meest geriefelijke open haard.

Wil ook Nederland met de tijd meegaan, dan is het hoogst noodzakelijk om de misverstanden die daaromtrent nog schijnen te bestaan, uit de weg te ruimen. Dat betekent een duidelijke reductie van de politieke rol van de koningin. Tegelijk echter dient men zich ten hove meer te realiseren, dat ook als particulier beschouwde daden in het geval van een staatshoofd politieke consequenties kunnen hebben. Als men aldaar niet bereid is de eigen opvattingen aan het staatsbelang ondergeschikt te maken, dan is het uit het oogpunt van staatsbelang verstandiger het koningshuis af te schaffen.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

    • Thomas H. Von der Dunk