Opportunisme

Je heet Thom de Graaf, je bent best wel ambitieus maar zit zonder ideeën en je partij is bijna failliet. Wat doe je dan? Dan roep je iets over de koningin, altijd prijs in Nederland! En jawel hoor, de complete pers en de politieke intelligentsia pavlovt zich wekenlang het schuim uit de pen in plaats van zijn schouders op te halen. Overmoedig geworden laat je nog maar een ballonnetje op: er dreigt een internetloze onderklasse te ontstaan, dus stel je een fiscale aftrekpost van tweeduizend gulden voor, voor iedere particulier die een PC aanschaft. Maar ditmaal struikelt meteen Pim Vermeend over je heen met een nog onzinniger voorstel: aftrek tot vijfduizend gulden, mits het ding `zinnig' gebruikt wordt.

Natuurlijk is er een internetloze klasse. Maar die bestaat uit tenminste twee geledingen: relatief arme sloebers voor wie een PC een onverantwoord grote uitgave betekent, en mensen die financieel niets tekortkomen maar er gewoon niet aan willen.

Beide partijen hebben niets aan zo'n aftrekpost. De rijke helft niet omdat het ze niet om het geld gaat, de arme helft niet omdat, áls het ze al om het geld gaat, het voordeel van zo'n aftrek voor hun minimaal is, terwijl een beetje PC met toebehoren toch nog altijd een dure grap blijft. Maar belangrijker is dat ze allemaal kennelijk het nut van een PC en dat internet niet inzien en dat ze daar waarschijnlijk gelijk in hebben – uitzonderingen zijn mensen als politici en bedrijfsbobo's die kennis van het internet nodig hebben omdat ze nu eenmaal over dat medium moeten meebeslissen.

Een PC is een apparaat waarmee van alles kan, en dat ook nog toegang tot het internet kan bieden. Wie alleen maar een beetje wil internetten kan heel goed zonder. Die mailt bijvoorbeeld in de bibliotheek of surft in een internetcafé. Je schaft toch ook geen professionele horecakeuken aan als je alleen maar diepvriespizza's de magnetron in wilt schuiven? Bovendien zit de echt goedkope netcomputer er nog steeds stiekem aan te komen en werken basale maar nuttige internetfuncties als mailen en informatie opvragen waarschijnlijk binnen een jaar of twee ook al heel aardig via mobieltjes, elektronische agenda's en tussenvormen daarvan. Daar zit je dan met je op last van Den Haag afgetrokken verouderde bakbeest! Had maar een gameboy en een mobieltje gekocht, dat kan ook alles wat je nu met die PC doet, en soms nog beter ook.

En dan dat internet. Hoe onmisbaar is dat eigenlijk? Voorlopig valt het allemaal reuze mee. Natuurlijk, het is een goudmijn voor mensen die voor hun werk of hobby van allerlei specialistische gegevens afhankelijk zijn en precies weten wat ze zoeken. Schrijvers, journalisten, wetenschappers, financieel analisten, beleggers en alles wat daar ook maar een beetje op lijkt. Maar verder? Op het web vind je verder niet veel meer dan wat algemene informatie die ook langs andere weg te vinden is (het telefoonboek bijvoorbeeld, of de dienstregeling van de NS), wat matig amusement, wat curiosa, heel veel ongein en reclame, en verder een ongeregeld zootje handelslieden. Het is een soort koninginnedagvrijmarkt zonder streng toeziende burgemeester. Wie in kringen verkeert waar men elkaar niet schrijft heeft weinig aan e-mail, en daarmee is de koek zo'n beetje op.

Twee groepen die wel veel plezier van het internet hebben zijn studenten en muziekliefhebbers, maar die hebben meestal al een PC. Ze leveren ook door hun vaak jeugdige overmoed telkens opnieuw problemen op. Het lijken de jaren zestig wel, waarin ineens alles moest kunnen, en liefst voor 'love'. Daar zijn de autoriteiten van nu, net als die van toen, het niet mee eens, maar waar destijds de waterkanonnen op het langharig werkschuw tuig zelf gezet werden, richten zij hun pijlen nu telkens op providers en websitebeheerders alsof dat een soort verantwoordelijke ouders is. Zo stelde de arrondissementsrechtbank van München vorige week de massaprovider America On Line (AOL) aansprakelijk voor de schade die muziekuitgeverijen lijden als via zijn forums illegale kopieën van plaatjes worden uitgewisseld, en probeert in San Francisco de universitair docent Daniel Brown via de rechter een beheerder aan te pakken omdat de man via diens website door studenten beledigd wordt.

Nu is het maken en verspreiden van roofkopieën van muziekstukken uiteraard laakbaar. Ook de beledigingen aan het adres van Brown logen er niet om. De man werd om onduidelijke redenen publiekelijk te kijk gezet als een geschifte homomane (wat dat ook mag betekenen) racist. In beide gevallen lijken er ruimschoots voldoende redenen voor strafvervolging en eventueel ook schadevergoedingsprocedures – in het muziekgeval wegens diefstal en heling, in dat van Brown wegens smaad. Maar verontrustend is dat men in beide gevallen geen moeite doet om de overtreders zelf aan te pakken of zelfs maar op te sporen. In plaats daarvan zoekt men het gemakkelijker doelwit van de provider, respectievelijk de websitebeheerder. Je zou kunnen zeggen dat de boodschapper moet hangen, maar iets beter is de vergelijking met het bordeelverbod: prostitutie was in Nederland weliswaar niet verboden, maar het gelegenheid geven wel, uit puur opportunistische overwegingen. Dat verbod is terecht verdwenen, maar dreigt nu op het internet in de vorm van de verantwoordelijke provider wereldwijd te herleven.

Opportunistisch bekeken is dat logisch, maar vanuit het recht bezien is het dubieus en vanuit het oogpunt van bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de informatievrijheid ronduit gevaarlijk. Providers die verantwoordelijk gesteld worden voor de strapatzen van hun klanten moeten wel kopschuw worden en zelfs gaan censureren om te overleven. En dat, preventieve censuur in handen van oncontroleerbare private instellingen, is toch wel het laatste wat we willen. In Duitsland is het nu - niet voor het eerst - fout gegaan. Hopelijk bijt Brown tegen de websitebeheerder, die niet voor niets gesteund wordt door de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie ACLU, in het stof. Niet omdat smaad of diefstal moet kunnen, maar omdat straf gegeven behoort te worden aan de overtreder, niet aan een min of meer toevallige boodschapper.