Oostenrijk

In het artikel `Wenen wil rechten minderheden uit de grondwet halen' (NRC Handelsblad, 15 april), lopen feiten en fictie helaas zodanig door elkaar dat het aanbrengen van een duidelijke waterscheiding geboden lijkt.

Waar gaat het om? In een gedeelte van het – toegegeven, enigszins complexe – Oostenrijkse grondwetsstelsel (`Staatgrundgezetz') bevindt zich een artikel uit 1867 (!) waarin de gelijke rechten van de vele nationaliteiten (`Volksstämme') van de toenmalige Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie zijn vastgelegd. Het betreft artikel 19, dat een vijftal decennia later door de historische gebeurtenissen werd ingehaald. In 1919 namelijk, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, werden de mensenrechtenbepalingen (inclusief de bescherming van minderheden) van het Vredes-/Staatsvertrag van Saint-Germain bestanddeel van de Oostenrijkse grondwet, waarmee artikel 19 tot dode letter verheven of in juridisch taalgebruik `gederogeerd' werd.

Zo staat bijvoorbeeld in artikel 67 van dit `Staatsvertrag':

,,Oostenrijkse onderdanen, die tot een minderheid op grond van hun ras, religie óf taal behoren, genieten dezelfde behandeling en dezelfde garanties, wettelijk en feitelijk, als de andere Oostenrijkse onderdanen; in het bijzonder hebben zij hetzelfde recht, op hun eigen kosten charitatieve, religieuze of sociale instellingen, scholen en andere opleidingsinstituten op te richten, te besturen en hierop toezicht te houden met het recht, daarin hun eigen taal naar believen te gebruiken en hun religie vrijelijk uit te oefenen.'' (inofficiële vertaling).

Ook andere artikelen in de grondwet (in het bijzonder artikel 7 van het `Staatsvertrag' van 1955) hebben betrekking op minderheden en `overrulen' het uitgerangeerde artikel 19.

De nieuwe Oostenrijkse regering heeft thans geheel in lijn met een door de Oostenrijkse minderheden of `Volksgruppen' (Slowenen, Kroaten, Hongaren, Tsjechen, Slowaken en Roma) zelf in een memorandum van 24 juni 1997 aan haar adres geuite wens een voorstel tot wijziging van de grondwet het licht doen zien. Het voorstel omvat een zogenaamde `Staatszielbestimming' met de volgende formulering (inofficiële vertaling):

,,De wettelijk erkende minderheden en hun historisch gegroeide diversiteit in taal en cultuur hebben de voortdurende zorg en aandacht van de Republiek Oostenrijk (nationale overheid, deelstaten en gemeenten).''

Het verankeren van een dergelijke staatsrechtelijke doelstelling in de grondwet is alleen buitengewoon prioritaire onderwerpen voorbehouden en moet dan ook gezien worden als aanvulling op alle andere (grond-)wettelijke bepalingen ter bescherming van de rechten van minderheden, zoals bijvoorbeeld het speciale `Volksgruppengesetz' uit het jaar 1976. Bovendien is zij voor het Oostenrijkse `Verfassungsgerichtshof' (in Nederland te vergelijken met de Hoge Raad) een grondwettelijke steun in de rug bij rechtspraak ten aanzien van de bescherming van de rechten van minderheden.

De beoogde grondwetswijziging voorziet in de formalisering van de feitelijke `derogatie' (niet-toepasbaarheid) van voornoemd artikel 19 van het `Staatsgrundgesetz', zal tot grotere juridische helderheid leiden en impliceert op geen wijze een aantasting van de rechten van minderheden.

    • Andreas J. de Valk
    • Woordvoerder Ambassade van Oostenrijk den Haag