NIET SLIMMER MAAR WIJZER

Het huidige universitaire systeem bevordert de kleingeesterij. Gewone studenten moeten meer aandacht krijgen van de heren professoren. Een stellingname.

De vraag hoe Nederland er als kennisland voorstaat, klinkt zoals die ten aanzien van het welbekende glas: is het half vol of half leeg? Geplaatst voor dit dilemma, kies ik voor de benadering die mij als de meest vruchtbare voorkomt, en waarover optimisten en pessimisten het in elk geval eens zouden moeten zijn: dat het natuurlijk altijd beter kan. Een zuivere benadering vergt twee subvragen: waar zijn we nu relatief zwak in, en wat kunnen we doen om die zwakten te bestrijden?

In universitaire kring zou het eerste en gemakkelijkst te omhelzen antwoord zijn dat de voornaamste zwakte schuilt in het basis- en/of het voortgezet onderwijs. En er valt best iets voor te zeggen om de bal naar basisschool en vwo terug te spelen, bijvoorbeeld de zorg of studiehuis en tweede fase niet averechts gaan uitpakken. Of de docententekorten. En er zijn ook wel degelijk bepaalde vakinhoudelijke zwaktes waarvan de effecten tot diep in de universiteiten en daarna uitzaaien, en die ik nu voor de gezelligheid maar even typeer als de twee onafhankelijke wegen die alfa en bèta ieder naar de eigen verloedering hebben weten in te slaan: dat alfa's hun niveau te grabbel hebben gegooid, en bèta's zichzelf uit de markt hebben geprijsd.

Nee, bepaald vrolijk hoeven we daar niet van te worden – en toch zou ik de stelling aandurven dat bij alle malaise in het basis- en voortgezet onderwijs, de grootste kansen worden gemist in het wetenschappelijk onderwijs, en dus op de universiteit. Dat heeft dan alles te maken met het onderscheid tussen scholing en vorming. Wederom grofweg, en ongenuanceerd: in scholing zijn de universiteiten redelijk goed, slim, soms zelfs superslim – maar op het stuk van vorming geven wij op pijnlijke wijze niet thuis.

Door de bank genomen leidt de Nederlandse universiteit heel acceptabele dokters, juristen, psychologen en historici op, die alleszins behoorlijk zijn toegerust op hun werk als vakprofessional. Dat is voorzeker een groot goed. Maar moet dit nu echt betekenen dat ze door dezelfde universiteit zo helemaal NIET worden voorbereid (tenzij ze er eigener beweging aan hebben gewerkt) op hun toekomstige rol als academicus in bredere zin, als intellectueel, als burger, en op hoe ze als hoogopgeleide in de wereld en het leven staan? Het gaat dan om het vermogen ook buiten je eigen superspecialisme te kijken, iets te weten van die andere werelden, daarover te hebben nagedacht, ermee een zinrijke dialoog kunnen aangaan en er de waarde van te zien, en daarmee tevens de betrekkelijkheid van de eigen blik. En dan betreft het uiteraard niet kennis van direct aanpalende disciplines, maar van andere faculteiten.

Hier schuilt volgens mij de grote zwakte van het Nederlandse universitaire bestel: dat zodra men zich erin begeeft, men afdaalt in de mijnen van een bepaalde faculteit, om daar pas uit te komen met een doctoraalbul. Er is niet de geringste noodzaak, of zelfs maar aansporing, om iets te proeven van de immense rijkdom aan vakken en personen elders in diezelfde universiteit.

Ter legitimering van dit monodisciplinaire systeem wiegen wij onszelf graag in slaap door middel van de toverspreuk dat grondige kennis van één vak exemplarisch werkt voor academische habitusvorming. Ik moet bekennen dat ook ik daar lang in heb geloofd; ten diepste eigenlijk nog steeds wel waar het de hele goede studenten geldt. Maar ik geloof er hoe langer hoe minder in dat het voor de goegemeente in de praktijk zo uitwerkt. Daar vrees ik steeds meer voor het tegendeel: dat de beperking doorgaans niet de meester toont, maar kleingeesterij bevordert.

Core curriculum

Het probleem is dus niet zozeer dat Nederland slimmer zou moeten worden, maar wijzer. Om dit te bevorderen, zou ik niet primair willen pleiten voor stoomcursussen algemene ontwikkeling of andere oppervlakkigheden, maar eerder voor iets in de geest van het Core curriculum zoals Harvard dat hooghoudt. Het is wel eens vermoeiend hoe vaak wij ons die universiteit ten voorbeeld stellen als het onderzoek betreft; maar wellicht loont het de moeite ook eens te kijken naar hoe men daar het onderwijs heeft ingericht. De studiegids van Harvard opent met de volgende geloofsbrief: `The philosophy of the Core Curriculum rests on the conviction that every Harvard graduate should be broadly educated, as well as trained in a particular academic specialty or concentration. It assumes that students need some guidance in achieving this goal, and that the faculty has an obligation to direct them toward the knowledge, intellectual skills, and habits of thought that are the hallmarks of educated men and women'.

Na deze heldere beginselverklaring – let op conviction en obligation – volgt een veertig pagina's lange keur van het beste wat Harvard te bieden heeft aan vakken en docenten, met Core courses in de domeinen Foreign cultures (bijv. `The Islamic tradition'), Historical study (o.a. `Reason and faith in the West'), Literature and Arts (`The modern Jewish experience in literature'), Moral reasoning (`Justice'), Science (`The changing surface of the earth') en Social analysis (`Children and their social worlds'). Een psychiater uit de medical school analyseert familieconflicten in de grote drama's van de wereldliteratuur (van Sophocles tot Albee); de charismatische graecus Gregory Nagy onderwijst over `The concept of the hero in Greek civilization' (met op de website van de cursus zowel vakliteratuur over Homerus als filmfragmenten uit Robocop); Stephen J. Gould geeft `History of life'. Het geldt in Harvards diepgewortelde eercultuur als een intern eredoctoraat als men een fameuze Core cursus verzorgt. Min of meer aan de top staat die van James L. Kugel over `The bible and its interpreters'. De duizend studenten die dit jaarlijks volgen, komen natuurlijk niet bijeen omdat ze theoloog gaan worden, of omdat het bedrijfsleven er nu direct op staat, maar omdat zij beseffen hier een unieke kans te krijgen op onderwijs dat hun voor hun leven bij zal blijven. Terwijl de collegebanken van Sanders Theatre vollopen, draait professor Kugel welgekozen muziek. Een kleine moeite, inderdaad.

Kom hier bij ons eens om. Als ik terugkijk op een half jaar werken in Harvard, is dit wat ik die instelling het meest benijd: niet hun Nobelprijzen, zelfs niet hun bibliotheken en ook niet hun budget, dat per student zestig keer zoveel uitgaven mogelijk maakt als bij ons – stel je voor: je maandsalaris twee keer per dag op je rekening – maar Harvard's Core curriculum. De zonzijde van deze jaloezie is dat het hier bij uitstek gaat om iets dat Nederlandse universiteiten relatief eenvoudig zouden kunnen navolgen. Dat is immers niet zozeer een kwestie van geld, als wel van wil (vgl. Harvard's conviction). En laten we niet onderschatten wat een immense betekenis het voor de Nederlandse samenleving zou kunnen hebben indien de republiek der professoren aldus niet alleen het niveau zou helpen verhogen van hun meest onmiddellijke evenbeelden, maar van alle duizenden afgestudeerden.

Want daar heeft het natuurlijk ook mee te maken: met een keuze niet primair voor de steeds verdere kwalificatie van de eigen opvolgers, maar van de grootste gemene deler. Dit laatste is in academische kring geen populaire term; het riekt teveel naar middelmaat, terwijl de ware wetenschap om excellentie vraagt. Maar laten we het toch maar onder ogen zien, en ernaar handelen. Het is immers de fundamentele tweeledigheid van het Nederlandse universitaire bestel, en waarschijnlijk zelfs van de Nederlandse cultuur als geheel. Enerzijds willen we aanklampen bij de grootmachten, niet alleen in sport en economie, maar ook in wetenschap – allemaal prima. Maar laten we niet vergeten, noch verloochenen, dat we dat toch nog steeds moeten doen – en wat mij betreft ook moeten willen doen – vanuit een universitaire context die typisch Nederlands is in egalitaire zin, en dus geworteld in gelijkheid. Mijn stelling is dat de specifieke kracht, en die vrij eigen vorm van grootheid, van Nederland – gemeten aan de kwaliteit van leven, doen en laten hier – niet zozeer wortelt in onze mondiale topprestaties, maar juist alles te maken heeft met het hoge soortelijk gewicht van onze doorsnee.

Ik meen dat universiteitsbestuurders zich daar veel nadrukkelijker om zouden moeten bekommeren. Sinds ongeveer een jaar draai ik als decaan van een grote faculteit mee in het universitair bestuur; ik schat dat 80% van onze aandacht uitgaat naar de slimste 5% van onze studenten. De rest is doorsnee, en dat loopt wel zo'n beetje, neem je dan maar aan. En dat is ook zo, maar het zou nog zoveel beter kunnen. De grootste taak voor Nederlandse universiteiten is wat mij betreft dus de verheffing van de toekomstige bachelors en masters in de straat.

gezamenlijkheid

Als deze uitdaging zou worden aangegaan vanuit het universitaire topbestuur, mag één uiterst welkom neveneffect niet ongenoemd blijven. Een dergelijke inspanning zou universiteiten weer eens nadrukkelijk bepalen bij hetgeen ze bindt – intern én onderling – en ze bewust maken van hun zeer grote gezamenlijkheid, in plaats van dat ze zichzelf blindstaren op wat ze misschien onderscheidt. Want dit is toch de treurigste kramp van onze universitaire bestuurscultuur: die opgefokte fixatie op lokale borstklopperij. Hoe weldadig deed daartegenover de reactie aan van Gerard 't Hooft – de enige in Nederland werkzame Nobelprijswinnaar – in het Utrechtse alumniblad. Ja, natuurlijk kon men bij hem en zijn Utrechtse collega's prima Natuurkunde studeren, net als in Groningen, Amsterdam en Leiden trouwens. Op zulke liefde voor de universitas neerlandica – een academisch poldermodel, inderdaad – hoort ons hoger onderwijs te kapitaliseren. Het is bovendien voor aanzien en draagvlak van de universiteiten in politiek en samenleving veel gunstiger dan de voor buitenstaanders wel zeer weinig innemende aanblik die men nu meestal krijgt voorgeschoteld: die van de krabbenmand en kissebissend mandarijnendom.

Dit is een licht bewerkte tekst van een voordracht van Frits van Oostrom, hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden hield ter gelegenheid van het afscheid van Ir. Roelof de Wijkerslooth de Weerdesteyn als directeur-generaal Wetenschappen op het ministerie van OCW.