Monarchiedebat (2)

Een belangwekkend punt dat nu in het koningschapsdebat komt bovendrijven, is de verdienste van het Huis van Oranje-Nassau als noodzakelijke kosmopolitische factor in een overigens oer-Hollands polderbestel (Z 15 april). De spanning tussen Oranje en de Hollandse regenten gaat echter verder terug dan de tijd van Oldenbarnevelt en De Witt. In 1574 wendden de Hollandse edelen zich noodgedwongen tot de `buitenlander' Willem van Oranje omdat al hun eigen leiders (Brederode, Wassenaer, Egmond) waren overleden (H.F.K. van Nierop, `Van ridders tot regenten', Amsterdam 1990).

De band tussen Oranje en Holland was dus al in de kiem een verstandshuwelijk.

Twee republieken en twee koninkrijken verder heeft Oranje bij de paarse regenten van nu zoveel gezag verworven, dat het vorstenhuis pas openlijk wordt aangevallen wanneer het regentendom zelf in gevaar is. Dat is het geval sinds de rode regent bij uitstek, Peper, moest opstappen. Beide problemen: het democratische ``zwarte gat' inzake het vorstenhuis en het democratisch tekort inzake bestuurders, zijn terug te voeren op de houding van (eerste) ministers en volksvertegenwoordigers: Lubbers die de majesteit teveel ruimte zou hebben gegeven, of een Rotterdamse gemeenteraad die niet tegen Peper op kon. Morrelen aan de Grondwet is daarvoor echter geen remedie. In plaats daarvan zijn volksvertegenwoordigers nodig die onze al dan niet gekozen regenten veel beter dan nu bij de les houden.