Ministerie OC en W 2

Terecht wordt in het artikel over OCenW geconstateerd dat de inhoudelijke rol van het ministerie fors gereduceerd is. Tot op zekere hoogte is dat ook logisch. Een flink aantal inhoudelijke verantwoordelijkheden wordt niet meer centraal `geregeld' en is verschoven naar andere bestuurlijke niveaus (de instellingen zelf, gemeenten, enz). Zo'n proces gaat natuurlijk gepaard met haperingen; instellingen moeten wennen aan de ruimte en het ministerie vertoont soms ook tegenstrijdig gedrag. Natuurlijk is het goed als dit gesignaleerd wordt, ook dat het ministerie worstelt met deze transformatie. Maar het gaat wel ver als dit gepaard gaat met een persoonlijk oordeel over ex-collega's en de producten van het ministerie worden gekwalificeerd als `beleidsporno'.

Door dat soort opmerkingen wordt het ministerie naar mijn smaak ook in een daglicht geplaatst dat weinig functioneel is. Het risico van dat soort opmerkingen is namelijk dat het de discussie afleidt van de punten waar het echt over moet gaan. Wat het ministerie behoeft is dat kennis en onderwijs voor een lange periode hoog op de politieke agenda komt en er structureel wordt geïnvesteerd; niet alleen als reactie op actuele problemen maar vooral ook met het oog op noodzakelijke vernieuwingen voor de langere termijn. Nu de regelfunctie (gelukkig en noodzakelijk) minder dominant wordt is er juist, meer dan ooit, behoefte aan een ministerie dat vanuit inhoudelijke kennis en visie formeel en informeel de dialoog met het veld aangaat. Als de discussie in dat perspectief wordt gezet dan krijgt het onderwijs en de politiek een ministerie dat het verdient.