Loodisotopen in boomringen zijn teken van luchtvervuiling

Loodisotopen in jaarringen verschaffen, in de vorm van hun onderlinge verhoudingen, een sleutel om de milieuvervuiling met zware metalen in het verleden te reconstrueren. Tot die conclusie komen aardwetenschappers van de Vrije Universiteit in Amsterdam op basis van analyses van boomringen in combinatie met metingen van samenstelling van aerosolen in de atmosfeer van verstedelijkte gebieden. Ze hebben die twee parameters gemeten voor de periode van 1950 tot 1995 (Applied Geochemistry, volume 15, blz. 891).

Om zo duidelijk mogelijke resultaten te krijgen, zijn de geanalyseerde monsters genomen van een boomsoort met een (onder niet vervuilde omstandigheden) relatief lage loodconcentratie in hun hout. Het blijkt dat in de onderzochte boomringen de verhouding tussen de loodisotopen op gelijke wijze varieerde als de verhouding in kleine stofdeeltjes die verzameld werden uit de lucht in Florence. Daarmee kunnen, aldus de onderzoekers, bomen een belangrijke rol spelen bij de reconstructie van de luchtvervuiling in het verleden, vooral in verstedelijkte gebieden. Hiermee krijgt het onderzoek van boomringen, naast de dateringsmogelijkheid (dendrochronologie) die vele duizenden jaren teruggrijpt, een geheel nieuwe dimensie.

Hierbij moet worden aangetekend dat de onderzochte boom (Celtis australis) stond in een straat met druk verkeer, hetgeen impliceert dat de vervuiling ter plaatse relatief sterk was, en waarschijnlijk veel sterker dan gemiddeld. De boom werd in februari 1996 gekapt. De hoogste loodconcentratie werd in de schors aangetroffen (gemiddeld 63 ng/g, waarbij een nanograam een miljardste gram is), maar de stam zelf geeft ook duidelijke variaties te zien. Zo geldt voor de periode 1939-1943 een concentratie van 28 ng/g, voor 1956-1962 13 ng/g, voor 1986-1990 54 ng/g, en voor 1991-1994 56 ng/g. Dat wijst op toenemende vervuiling.