Kopen in goed vertrouwen loont niet

Het bedrijfsleven kan ervoor zorgen dat er voedingsmiddelen komen die goed zijn voor de gezondheid. Het bedrijfsleven kan er ook voor zorgen dat die voedingsmiddelen verkocht èn gegeten worden. Maar dan moeten er wel betere regels voor gezondheidsclaims komen, meent Martijn B. Katan.

Veel producten in de supermarkt dragen tegenwoordig een gezondheidsclaim. Op zich is daar niets op tegen. Claims over het gezondheidsbevorderend effect van voedingsmiddelen stimuleren de verkoop, en zolang ze waar zijn bevorderen ze bovendien de gezondheid van de consument. In de huidige Nederlandse regelgeving omtrent gezondheidsclaims doet het er echter opmerkelijk weinig toe of het aangeprezen product werkelijk de gezondheid bevordert.

Als de claim maar vaag genoeg geformuleerd is (bijvoorbeeld `verhoogt de natuurlijke weerstand'; of `zorgt voor balans in uw darmen') dan levert dat een suggestie van gezondheid die niet verder hoeft te worden aangetoond. Daarentegen mag er nooit concreet geclaimd worden dat het eten van zo'n product het risico op een ziekte verkleint, zelfs niet – en dat is het vreemde –als zo'n effect wel is bewezen. Dan heet het namelijk een `medische claim', en een Europese richtlijn verbiedt medische claims op voedingsmiddelen. De Nederlandse overheid interpreteert die richtlijn zodanig dat het leggen van een link van een voedingsmiddel met een ziekte altijd verboden is, of het nu waar is of niet.

Deze regelgeving is nadelig voor zowel de consument als voor het bedrijfsleven. De consument koopt in goed vertrouwen een drankje om zijn darmen gezond te houden of een snoepje dat zou helpen tegen verkoudheid, terwijl beide misschien niet werken. Hij verspilt dus zijn geld, en laat misschien beter werkzame middelen liggen. Intussen wordt hem de informatie onthouden dat sommige voedingsmiddelen wél werken. De voedingsleer heeft voor het voorkomen van ziekten als bijvoorbeeld osteoporose en hartinfarcten aardig wat te bieden, maar fabrikanten mogen daar geen reclame voor maken.

Deze regelgeving remt ook de ontwikkeling van levensmiddelen die de kans op het ontstaan van andere ziektes kunnen verkleinen. Want waarom zou een fabrikant investeren in moeizame en dure research naar voeding en gezondheid als hij aan het eind van de rit niet mag zeggen dat zijn product het risico om ziek te worden verlaagt?

De gebrekkige regelgeving omtrent gezondheidsclaims is geen Nederlands probleem, het speelt in heel Europa. Binnen de EU lopen dan ook discussies over dit onderwerp, maar het staat niet hoog op de politieke agenda, en een goede regeling vanuit Brussel kan nog even duren. Zolang die Europese regelgeving er niet is verdient een verbeterde Nederlandse regelgeving de voorkeur waarin alles wat waar is mag worden gezegd, en alles wat onwaar is niet is toegestaan.

De bouwstenen voor zo'n regelgeving zijn er al. Het Voedingscentrum (het vroegere Voorlichtingsbureau voor de Voeding) heeft samen met het bedrijfsleven een Gedragscode voor de wetenschappelijke onderbouwing van Gezondheidseffecten ten behoeve van Gezondheidsclaims ontwikkeld; daarin is uitgewerkt hoe zo'n onderbouwing kan worden getoetst. Die code berust nu echter geheel op vrijwilligheid: hoewel hij is ondertekend door koepelorganisaties van bedrijfsleven en consumentenbond mag iedere producent zelf beslissen of hij zijn claims eraan onderwerpt, en tot nu toe doen de meeste fabrikanten dat niet.

Deze gedragscode gezondheidsclaims zou een goede basis voor een wat minder vrijblijvende regeling kunnen vormen.

Wanneer het wenselijk wordt gevonden dat de consument beter voor zijn eigen gezondheid zorgt, moeten er meer voedingsmiddelen komen met een goed onderbouwde gezondheidsbevorderende werking.

Het bedrijfsleven kan zorgen dat die voedingsmiddelen er komen en, belangrijker nog, dat ze verkocht en gegeten worden. Maar daarvoor zijn wel heldere en algemeen geldende regels nodig die ruimte scheppen voor goed gefundeerde claims, en geen ruimte laten aan onbewezen claims.

Prof.dr. Martijn B. Katan is wetenschappelijk directeur Voeding en Gezondheid van het Wageningen Centre for Food Sciences.