Het heilige land

We openden na de eerste nacht in Jeruzalem 's morgens het raam van onze hotelkamer en zagen aan de overkant van het dal de witte Cadillac van de paus langzaam klimmen naar de toegangspoort tot de oude stad. Een pelgrim van bijna tachtig jaar oud bezoekt voor de eerste en misschien laatste keer in zijn leven de plaats waar Christus stierf en drie dagen later weer opstond. Later op diezelfde zondag kwamen joden voor hun dagelijkse gebeden naar de Klaagmuur – een paar honderd stappen voorbij de Opstandingskerk. Nog weer een paar meter verder bezochten moslims hun heilige plaats op wat joden en christenen traditioneel de Tempelberg noemen. Als sinds 1967 is Jeruzalem vrij toegankelijk voor pelgrims van alle drie grote wereldgodsdiensten die één God belijden. Jarenlang kwamen bezoekers vooral uit Europa of Amerika, maar intussen heeft Israel al heel lang vriendschappelijke betrekkingen met Turkije en leeft het gelukkig sinds 1979 in formele vrede met Egypte. Pelgrims uit de twee grootste landen in de regio zijn dus ook in staat om de stad te bezoeken die niet alleen heilig is voor joden en christenen, maar ook na Mekka en Medina op een derde plaats staat van de heilige steden van de islam. Dat is dan – eerlijk gezegd – omdat Israel in 1967 de oude stad opnieuw heeft veroverd. Van 1948 tot 1967 was heel oud-Jeruzalem verboden voor joden. Pas na de oorlog van 1967 konden ook inwoners van Israel weer hun eigen heilige stad bezoeken. Om dat recht te heroveren moesten Israelische en Jordaanse soldaten sterven buiten voor hetzelfde hotelraam waaruit wij op een vredige zondagochtend in maart 2000 de paus zagen voorbijrijden.

Het King David Hotel in Jeruzalem moet wel het enige hotel ter wereld zijn waar de manager in zijn kantoor een grote foto heeft hangen van de man die een hele vleugel met dynamiet opblies. Die terrorist was de latere premier van Israel, Menachem Begin, die dertig jaar na zijn bomaanslag op het bordes van het Witte Huis in Washington vrede sloot met Egypte. Hij noemde dat toen de op twee na mooiste dag van zijn leven: na de veertiende mei van 1948 toen David Ben-Gurion de staat Israel uitriep en de dag in juni 1967 waarop Israel het oude Jeruzalem weer innam.

Begin onderhandelde in 1979 met president Sadat van Egypte (die daar later met zijn leven voor betaalde). Het persbureau AP rapporteerde toen vanuit Beiroet dat Arafat ,,zwoer om de handen af te hakken van de schurk Sadat, de terrorist Begin en de imperialist Carter''. Twintig jaar later is het alweer vanzelfsprekend dat de premier van Israel permanent onderhandelt met diezelfde Arafat en met de overgebleven vijanden van Israel. Barak bleek deze week bereid om resoluties 425 en 426 van de Veiligheidsraad uit te voeren, en alle bezette gebieden in Zuid-Libanon op te geven.

De machtsverhoudingen zijn nu heel anders dan tijdens de oorlogen toen Israel vocht om te overleven. Israel is anno 2000 economisch sterker dan de vijanden uit 1948, 1956, 1967 en 1973. Syrië, bijvoorbeeld, is drie keer kleiner dan Israel; Jordanië acht keer. In 1967 waren zowel Syrië als Jordanië natuurlijk nog economisch zwaarder dan de joodse staat (Egypte is nu nog een paar procent groter dan Israel, maar over twee of drie jaar niet meer). Het land kan dus in veel meer vrijheid dan vroeger onderhandelen over ruimte en rechten van de Palestijnen. Wie die asymmetrie betreurt, kan Koeweit of Saudi-Arabië aankijken die met een paar procent van hun olie-opbrengsten de Palestijnen economisch hadden kunnen rehabiliteren. In plaats daarvan hebben Israels vijanden de Palestijnse vluchtelingen al sinds 1948 een ellendig leven opgedrongen in uitzichtloze kampen. Zoals Nobelprijswinnaar Saul Bellow schrijft: `rotting slums in which demoralized, idle young men can concentrate on `politics'. Israel treedt hardhandig op tegen de Palestijnen en heeft vaak weinig respect voor hun rechten, maar het voor iedereen zichtbare contrast tussen de nieuwe economie van Tel Aviv en Haifa en de haat en de armoede van de Palestijnse gebieden is het gevolg van een politieke beslissing van de verliezers van de oorlogen van 1948, 1956 en 1967: hoe ellendiger het leven van de Palestijnse vluchtelingen, des te meer kans dat de Verenigde Naties in resoluties zouden sympathiseren met de Palestijnse zaak.

Wel, die resoluties zijn aangenomen, en Israel durft nu twee te accepteren over Zuid-Libanon maar aarzelt over andere dwingende VN-uitspraken. Wie Israel's weigering om alle VN-resoluties uit te voeren zonder meer afkeurt, hanteert wel een heel simpele morele wegwijzer. Wat rechtvaardig beleid is voor Israel zal helaas nog heel lang moeten afhangen van de betrouwbaarheid van de Israel-haters binnen en buiten de huidige grenzen. Een extreem voorbeeld dat ik ontleen aan de Franse filosoof Jacques Ellul kan dat verduidelijken. Stel bijvoorbeeld – aldus Ellul – dat Golda Meir campagne had gevoerd voor haar Arbeiderspartij met een pacifistisch program. Dat zou moreel slecht zijn geweest: in haar tijd was er geen plaats in de hogere Israelische politiek voor mannen en vrouwen die niet bereid waren om de wapens op te nemen. Een zuiver standpunt is dan: wees pacifist en zie af van een carrière in de Israelische politiek, of zoek een politieke functie en accepteer dat bloed zal vloeien omdat jouw land is omringd door vijanden die de Zionistische ratten in de Middellandse zee willen verdrinken. Dat is de eerlijke keuze, en iedereen zal respect hebben voor mensen die zelf nooit zullen doden, maar er kan geen respect zijn voor een pacifist die ook nog minister-president van Israel wil worden. Zo iemand zou fataal tekortschieten in het vervullen van verantwoordelijkheid.

Hetzelfde dilemma is helaas nog steeds acuut. De slogan `land for peace' is moreel onzinnig, want hoe zou de partij die land opgeeft kunnen vertrouwen dat vrede zal volgen? Tussen 1948 en 1967 was oud-Jeruzalem in handen van Jordanië en de vijanden van Israel gebruikten die periode om de heiligste begraafplaats van de joden te plunderen en de grafstenen te gebruiken voor aanleg van een autoweg. De toegangspoort naar de plaats waar ooit de Tempel stond werd dichtgemetseld en er voor kwamen expres moslim-graven waar de Messias dan maar overheen moest stappen als Hij zou komen. Vergelijk dat met het respect dat Israel sinds 1967 heeft getoond voor de moskee op de plaats van de vroegere Joodse Tempel.

Laat Israel de hoogvlakte van Golan vooral niet opgeven aan dictator Assad van Syrië, tenzij het dat gebied – cruciaal voor de bovenloop van de Jordaan – direkt voor 99 jaar terug kan leasen. Een Syrische vlag, maar vooralsnog een Israelisch beheer, vergelijkbaar met de 99 jaar Brits beheer over Hong Kong. Als de rijke Arabische oliestaten dan de Palestijnen echt zouden willen helpen, zouden ze geld kunnen storten in een fonds waarmee ook Palestijnen land kunnen pachten in de Golan. Maar wel voor nog 99 jaar volgens het Israelische kadaster en de Israelische rechtsregels. Ook Israel zou trouwens geld kunnen storten in een hulpfonds voor het pachten door Palestijnen van land onder Israelisch kadastraal en militair toezicht. Als Israeliers en Palestijnen dicht bij elkaar samen rijker kunnen worden, kan geleidelijk het vertrouwen groeien om ook politie en leger minder asymmetrisch te organiseren dan nu. Dat is ook `land for peace' maar op een manier die beter past bij de politieke, economische en militaire realiteit van een succesvolle staat in een vijandige omgeving.