`Het heet een debat, het is een monoloog'

Gerrie ter Haar hield vorige week haar oratie als bijzonder hoogleraar Religie, Mensenrechten en Sociale Verandering. Wezenlijke interesse in de identiteit van migranten ontbreekt, zegt de mensenrechtenactivist. Daardoor blijft de minderhedendiscussie beperkt tot platitudes. Zij pleit voor meer culturele gevoeligheid - niet te verwarren met cultuurrelativisme. In vier stappen van baret naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Vorige week raakte ze ineens verzeild in een persoonlijke variant op de hoofddoekjesdiscussie. Gerrie ter Haar deed haar intrede als bijzonder hoogleraar en bij die plechtigheid horen nu eenmaal toga en baret. Die toga, dat ging nog. Maar die baret! Zo onvrouwelijk! Hij zit niet aangenaam, en van het ritueel verplichte `afzetten bij het zitten, opzetten bij het staan', raakt vrouwenhaar in de war.

,,Die hoed'', zegt Ter Haar, ,,is gemaakt voor een mannenhoofd. Er zit een hele academische traditie achter, uit de tijd dat die hoeden alleen maar gedragen werden door mannen. Waarom kan er niet een vrouwelijk hoofddeksel komen?''

Dus heeft ze onderhandeld over de baret. En ten slotte heeft ze zich geconformeerd. ,,De vraag is, is het essentieel? Kan ik er mee leven? Ik hoef hem misschien maar twee keer per jaar te dragen. Dan wordt van mij niet het onmogelijke gevraagd. Als het elke dag was geweest, had daar een pittig woord over gesproken moeten worden. Dan zou de traditie moeten veranderen.''

Kleine overwinning op de traditie: ze heeft haar baret de hele tijd opgehouden.

We spreken hier niet met een hoogleraar genderstudies of vrouwengeschiedenis. Ter Haar is bijzonder hoogleraar op de bijzondere leerstoel voor Religie, Mensenrechten en Sociale Verandering op het Institute of Social Studies in Den Haag. En dat van die baret, beschouw dat maar als stap één in haar pleidooi voor culturele gevoeligheid.

,,Als ik ergens op bezoek ben, pas ik mij aan aan de gebruiken die daar heersen. Maar als ik moet wonen in het Catshuis, dan ga ik uitzoeken hoe belangrijk het is dat ik elke avond in een avondjurk rondloop. Of het niet ook een keertje in spijkerbroek kan.

,,Als ik op bezoek ben in Iran en ik ontmoet een imam, dan zal ik hem geen hand proberen te geven. Ik wil op dat moment daar niet met hem over in discussie gaan. Maar blijf je een jaar, dan moet je eens kijken wat mogelijk is.''

Dat laatste voorbeeld geeft ze als ze hoort dat de gemeente Rotterdam aan diversity management doet. Burgemeester Opstelten vertelde onlangs in deze krant dat een vrouwelijke wethouder nu weet dat ze een imam geen hand mag geven. Zo heeft Rotterdam geleerd om te gaan met multiculturaliteit.

,,Dat is niet mijn idee'', zegt Ter Haar. ,,Even een paar truukjes leren om met de imam om te gaan. Zou je niet eerst moeten praten over de vraag of, in de Nederlandse context, een vrouw die imam niet gewoon een hand kan geven? Hoe essentieel is dat voor hem? Mag je dat niet van de imam vragen, nu hij zich in een andere context bevindt?

,,Dat diversity management klinkt meer als de benadrukking van culturele verschillen dan als gevoeligheid voor culturele verscheidenheid. Burgemeester Opstelten is niet bezig met cultural diversity, hij is bezig met cultural difference.'' Ze heeft het om die reden ,,een beetje gehad'' met het debat over de multiculturele samenleving. ,,Het heet een debat, maar het is een monoloog. Over hoe goed wij het wel niet weten voor minderheden. Er wordt in Nederland ook altijd iets voor migranten bedacht. En als het bedacht is, roept de overheid, de deelraad of de Raad voor de Kerken de migranten bijeen en zegt hun: dit hebben wij bedacht en vinden jullie dit nou geen goed idee? Hè? Waarom doen jullie dat nou niet?''

Zo bedenken `wij' ook de identiteit voor anderen. En dat is stap twee: wie bepaalt iemands identiteit? Het antwoord zou volgens Ter Haar moeten zijn: ,,Jij bepaalt in de eerste plaats je eigen identiteit – en dan onderhandel je met mij. Maar wij zijn voortdurend bezig te bepalen hoe die ander er uit ziet.

,,Wij zitten hier met een heleboel mensen die een aanslag lijken te plegen op onze identiteit. Wij hanteren daarbij een retoriek van integratie, met de suggestie dat wij mensen erbij willen betrekken. Maar in de praktijk doen we het omgekeerde, met die voortdurende identiteitsafbakening van anderen. Wij denken dat we weten hoe een moslim denkt. `Ze zijn er nu al twintig, dertig jaar, ze hebben een Suikerfeest en een Ramadan, nou weten we het wel.'

,,Maar we houden er helemaal geen rekening mee dat mensen er tegelijkertijd verschillende identiteiten op na houden. Dat ze het ene moment vooral moslim zijn, maar het andere moment huisvader of ambtenaar. Dat je een toga kunt dragen èn een spijkerbroek. En dat geldt nog sterker voor de mensen over wie dat multiculturele debat wordt uitgestort.

,,Nu gaat het debat vooral over moslims, maar het zal in toenemende mate over christenen gaan'', voorspelt Ter Haar, ,,over Afrikaanse christenen''. Ze heeft de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar Afrikaanse religieuze bewegingen, waarvan er veel christelijk zijn. Onafhankelijke kerken in onder meer Ghana en Nigeria zijn voortgekomen uit de christelijke missie en voortgezet door zwarte priesters. Migranten uit deze landen voelen vanuit die traditie een verwantschap met Europa en Noord-Amerika, volgens Ter Haar.

,,Ze hadden verwacht dat ze welkom zouden worden geheten bij de grens. Ze dachten: wij zijn net als jullie, wij delen al meer dan een eeuw jullie cultuur, jullie geloof. Dat was een cultuurschok. Hier troffen ze een samenleving die grotendeels niet christelijk is - en zelfs als ze dat wel zijn, zeggen die christelijke Nederlanders: prachtig dat jullie christen zijn, maar jullie zijn eerst en vooral Afrikaan. Dat zien wij in één oogopslag.

,,Voor Afrikanen heeft dat Afrikaan-zijn nooit een rol gespeeld. Nog niet, tenzij iemand hen er met de neus op drukt. En dat gebeurt hier voortdurend. Dus moeten ze oppassen dat zij vasthouden wat ze zelf als hun identiteit zien, en zich niet laten drukken in het hok van de Afrikaanse identiteit, waarmee ze tegelijk tot de Ander worden bestempeld.

,,Een minderheidsgroep kan in Nederland allerlei subsidies krijgen, maar dan wel voor de ontwikkeling van wat wij als haar identiteit beschouwen. De Afrikaanse identiteit dus, en niet de religieuze. Als een christelijke Afrikaanse groep naar de overheid gaat en vraagt: help ons, we zoeken een plaats om ons christelijk geloof belijden, dan zegt de staat: daar beginnen wij niet aan, scheiding van kerk en staat, weet u wel, dat moet u zelf maar uitzoeken. Maar als diezelfde Afrikanen zeggen: wij willen onze Afrikaanse identiteit beleven, dan zegt de overheid: hier heb je een ton subsidie.

,,Er zijn dus heel veel Afrikaanse cultural associations. Ook heel nuttig en interessant, want die mensen willen Nederlanders graag bekendmaken met aspecten van de culturele traditie waar ze uit voortkomen, maar dat moeten ze wel voortdurend doen op onze voorwaarden.

,,De Nederlandse overheid zou eens moeten nadenken over de vraag hoe zij, vasthoudend aan het principe van scheiding tussen kerk en staat, toch de maatschappelijke aspecten van die religieuze gemeenschappen kan versterken. De functie van deze instellingen gaat veel verder dan de bemiddeling tussen mens en god, en ze komen niet alleen op zondag bijeen. Niemand wil de scheiding van kerk en staat loslaten, hoor, ook de Afrikaanse gemeenschappen niet die ik heb meegemaakt. Maar je hoeft er ook niet zo krampachtig aan vast te houden.''

Wie niet aan onze voorwaarden voldoet, mag er niet bijhoren, dat is stap drie. ,,De enige die de luxe hebben zich niet te hoeven identificeren, dat zijn wij. En om ons heen trekken wij een grens. De grens die wij om Europa hebben getrokken is raciaal bepaald. Hoe zwarter, hoe moeilijker je binnenkomt.

,,Het is heel interessant om te zien hoe wij steeds nieuwe termen uitvinden voor mensen van wie we eigenlijk vinden dat ze hier niet zouden moeten zijn, of, als ze hier zijn, liefst zo snel mogelijk terug zouden moeten naar hun land van herkomst. Allochtonen, illegalen, grijze illegalen, witte illegalen. En die verandering van terminologie houdt gelijke tred met verandering van beleid. Ook mensen die hier legaal verblijven, kunnen niet meer zeker zijn van hun rechten. Wat vandaag je recht was, kan je morgen ontnomen worden.''

Ze verwijst naar het voorstel om de leeftijdsgrens voor minderjarige asielzoekers te verlagen. (AMA's worden die genoemd – nog zo'n term.) In Nederland heet men vanaf 18 jaar meerderjarig, staatssecretaris Cohen (Justitie) stelt voor om die grens voor asielzoekers te verlagen naar 16 jaar. Redenering: in sommige landen is iemand al bij 16 jaar meerderjarig.

Daarmee legt de staatssecretaris een onacceptabel verband tussen cultuur en mensenrechten, vindt Ter Haar. ,,Je bent in Nederland - en het gaat toch om de rechten van Nederland - meerderjarig bij 18. En dan gaat het niet aan om die te verlagen omdat het je toevallig goed uitkomt.

,,Wij moeten ons veel meer bewust zijn van de manier waarop we over de ander spreken.'' Hier komt de godsdienstwetenschapper met een godsdienstig voorbeeld. ,,Valt het u niet op dat we vaak religies die we zelf niet aanhangen, andere namen geven? Die heten sektes. Wij bedrijven religie, mensen in andere delen van de wereld bedrijven magie. Wij praten over kannibalistische praktijken in andere delen van de wereld, maar de symboliek van de eucharistie in de katholieke kerk brengen wij daar niet mee in verband''

In haar oratie Ratten, kakkerlakken en ons soort mensen betoogt Ter Haar dat aan grootschalige schendingen van de mensenrechten de volgende strategie voorafgaat: de `ander' krijgt namen die hem geheel en al afscheiden van `mensen zoals wij', tot de geesten rijp zijn voor de grote slachting. ,,De ander met een kleine a groeit tot een Ander met grote A – tot-ie niet meer tot menselijk ras behoort.''

Ze verwijst in haar oratie onder meer naar anti-Arabische pogroms in het Franse Algerije van de jaren vijftig, die `rattenjachten' werden genoemd, en naar de oorlog in Rwanda, waarbij de Tutsi's consequent als `kakkerlakken' werden aangeduid. Terwijl ze zit te praten, ontdekt ze ook een parallel in de `taxi-oorlog' in Amsterdam: de chauffeurs van het ene taxibedrijf, noemen de chauffeurs van de concurrent `kakkerlakken in glasbakken'. ,,En als je niet uitkijkt, gaan daar ook doden vallen'', zegt Ter Haar.

Daar zijn we bij stap vier in Ter Haars pleidooi voor culturele gevoeligheid: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Opgesteld door de Verenigde Naties in 1948, in een wereld die nog aan het herstellen was van de slachting van de Tweede Wereldoorlog en die herhaling wilde voorkomen. In de preambule tot de Verklaring wordt hetzelfde verband gelegd als Ter Haar doet: ,,Terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens hebben geleid tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mens geweld hebben aangedaan.''

Ter Haar, die zichzelf `mensenrechtenactivist' noemt, kan zich helemaal in de Verklaring vinden. ,,Prima'', zegt ze. ,,Natuurlijk.'' Maar hoewel de Verklaring de bottomline aangeeft van de menselijke waardigheid, wil dat volgens Ter Haar niet zeggen dat ze ook voor iedereen op dezelfde manier geldt.

Wie deze opvatting kritiseert als een vorm van cultuurrelativisme, is bij Ter Haar aan het verkeerde adres. Zij rekent daar genadeloos mee af. Cultuurrelativisme is alweer een vorm van uitsluiting, zegt ze. Daarachter verschuilen zich Derde-Wereldregimes die de mensenrechten schenden – `zo doen wij dat nu eenmaal in Afrika' – en daarmee schrijven westerlingen de rest van de wereld af.

Het verschil met de door haar aanbevolen culturele gevoeligheid is subtiel maar fundamenteel. Het is het verschil tussen cultural diversity en cultural difference, dat Ter Haar eerder bespeurde bij burgemeester Opstelten. Verscheidenheid hoort bij gevoeligheid, verschillendheid bij cultuurrelativisme.

Nederland is cultureel tamelijk ongevoelig, vindt ze. ,,Wij willen overal in de wereld ontzettend veel goed doen, ik ook, ik ben ook een produkt van deze samenleving. Ik heb bij Amnesty International gewerkt. Maar bij ons ontbreekt het besef dat er iets terug te ontvangen is. Iets dat de moeite waard is om te incorporeren in ons eigen bestaan.

,,En daar komen we dan met de seculiere heilsboodschap die de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is. Wíj hebben geen moeite met de Verklaring, omdat wij hier alles al binnen hebben. Maar als godsdienstwetenschapper kom ik veel in aanraking met mensen die weliswaar sympathie hebben voor de Verklaring, en ook vinden dat die op hun van toepassing is, maar tegelijkertijd aanknopingspunten missen om haar in te passen in hun eigen religieuze traditie.''

De Verklaring heet niet voor niets Universeel, ze probeert de verschillen te overstijgen en het is de vraag of het niet juist haar kracht is dat ze daarbij geen rekening houdt met religieuze eigenaardigheden. Nee, vindt Ter Haar, de religieuze dimensie van het bestaan is voor veel mensen van fundamenteel belang. ,,Mensen in grote delen van de wereld voelen zich steeds minder aangesproken door de Verklaring. Moslims bijvoorbeeld. Omdat ze denken dat die geen verband legt met wat zij vinden en geloven. Deze Verklaring is een seculiere heilsboodschap. Wil je die boodschap naar alle uithoeken van de wereld zenden, dan moet je er ook voor zorgen dat iedereen hem kan begrijpen.

,,Daarvoor hoef je de inhoud van de Verklaring niet te veranderen. Vergelijk het met de missionarissen die het evangelie brachten. Die zijn er ook alleen in geslaagd als ze hun boodschap een plek konden geven in de bestaande tradities. Het is toch jammer dat wij er niet in slagen deze boodschap zodanig voor het voetlicht te krijgen, dat we mensen die hun ideeën over de rechten van de mens uit een andere bron halen, ervan overtuigen dat we eigenlijk hetzelfde nastreven.''

Nu gaat het debat vooral over moslims, maar het zal in toenemende mate gaan over christenen

We vinden steeds nieuwe termen uit voor mensen van wie we vinden dat ze hier niet moeten zijn

Dossier: www.nrc.nl