Heropend Grozny ruikt naar betongruis

In de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny wagen keldermensen zich weer in het daglicht, nu de granatenregen voorbij is, en vluchtelingen keren terug. Naar een steengroeve.

Het is lente in Grozny, de klamme kou en de aanhoudende granatenregen zijn voorbij. Met knipperende ogen wagen de keldermensen zich weer in het daglicht. Langs de invalswegen druppelen vluchtelingen terug de stad in, met hun plunje en hun kroost. Lijdzaam tonen ze hun beduimelde documenten bij blokpost 27 op het Minoetkaplein.

Maar waarheen keren zij terug? De bebouwde kom van Grozny is veranderd in een steengroeve. Stoffig, geurend naar betongruis. Moeiteloos voegt de stad zich in het rijtje Dresden, Hiroshima, Vukovar.

Op het Minoetkaplein staan nog geknakte lantaarnpalen: het begin van de Prospekt van de Vrede. De ranke flats rondom dit verkeerscircuit, met de balkons waar vroeger de was wapperde, zijn tot een onwerkelijk landschap van steenslag gebombardeerd. Wat nog omhoog reikte, is opgeblazen. ,,Wegens instortingsgevaar'', zegt Igor Bojkov, een luitenant-kolonel van het Russische leger die een dozijn journalisten door het bevrijde Grozny rondrijdt.

Het gaat de goede kant op met Grozny, meent de persofficier. Met de inzet van de hondenbrigade is de wederopbouw ter hand genomen. ,,Dat is een eenheid die zwerfhonden afschiet, zodat ze niet gaan slepen met menselijke resten die ze tussen het puin vinden.''

Nu de zwerfhonden worden gedood en de mijnen geveegd, heeft het Kremlin de Tsjetsjeense hoofdstad deze week heropend. Althans voor de overlevenden onder de 400.000 Groznentsi: de onfortuinlijken die in hun paspoort `Grozny' als woonplaats hebben staan. Voor mensen dus als Vacha, een bejaarde man met een schaatsmuts die steunend op zijn stok het maanlandschap verkent. Drie etmalen is hij terug uit zijn schuildorp in de bergen. ,,Mijn huis is verwoest maar de abrikozenboom staat er nog'', zegt hij berustend. ,,Iemand heeft mijn moestuin omgespit om er lijken in te begraven.''

Het vermogen zich te verbazen is Vacha allang kwijt. Op 4 mei wordt hij zeventig, en denk niet dat dit de eerste keer is dat hij door de Russen uit zijn huis is verjaagd. ,,Ik was dertien toen ze ons op transport stelden naar Kazachstan (in 1944 liet Stalin het hele Tsjetsjeense volk deporteren op verdenking van collaboratie met de nazi's, red). Bandietenjong, noemden ze me toen al, en dat is nooit veranderd. In mijn paspoort staat dat ik leef. Maar ik zeg u: ik vegeteer, net als die abrikoos van mij.

Luitenant-kolonel Bojkov is – ondanks zijn kegel van de avond tevoren - wel verbaasd. Vanaf het pantservoertuig waarmee hij ons vervoert valt hem op hoe rechtop de Tsjetsjeense vrouwen lopen, en schoon hun enkellange gewaden eruit zien. ,,Typisch die Kaukasische trots'', zegt hij met een zweempje ontzag in zijn stem. ,,Of hun stad nu een ruïne is of niet, ze lopen er altijd goed verzorgd bij. Niet klein te krijgen.'' En inderdaad, her en der zie je pezige vrouwen met bezems en sneeuwschuiven het puin te lijf gaan. In de middenberm van de Overwinningsboulevard, een winkelpromenade waarvan alleen nog de gevels overeind staan, worden zelfs boompjes geplant en stoepranden geverfd, zoals elk voorjaar.

En even voorbij de verbrijzelde pui van schoonheidssalon Diana, bij een rangeerterrein vol roestende wagons, is op bescheiden schaal een markt geïmproviseerd. De 12-jarige Gedi staat achter een klaptafeltje met scheermesjes, rolletjes Kodak Gold en biscuitjes. Haar laatste schooldag was 27 september, maar nu zijn alle klaslokalen uitgebrand. ,,En we moeten toch ergens van leven'', zegt ze met een verontschuldigend armgebaar waarmee ze gelijk haar waren aanprijst. Haar tante Aiza Hasanova, een pronte koopvrouw met twee handen in haar zij, heeft een eigen tafel met gebraden kip, bier en sigaretten van het soldatenmerk `Witte Zeekanaal'. Na de raketaanval op de markt van Grozny (waar de Russen in oktober 1999 naar eigen zeggen een wapenhandeltje van krijgsheer Sjamil Basajev wilden uitschakelen) was Aiza naar familie op het platteland gevlucht.

Nu de kust haar weer min of meer veilig lijkt, is ze met haar nichtje teruggekeerd op zoek naar de resten van haar huis: een betonflat van vijf hoog, die door tientallen projectielen is gepokt en doorzeefd. Aiza is hoogzwanger, maar ondanks haar ballonbuik klimt ze behendig over de brokstukken naar binnen. Onder haar schoenzolen knispert glas. We volgen haar via het trappenhuis, dat als een afvalschacht is volgestort met puin, naar de derde. Daar bevinden zich, achter een gat in de muur, een paar schoongeveegde vierkante meters.

Ten minste een kamer in het platgebombardeerde Grozny is weer leefbaar. De wilskracht die hieruit spreekt, vliegt je naar de keel. De muren die nog intact zijn heeft Aiza witgepleisterd, en langs de vloer heeft ze plinten getimmerd. ,,Hier zal ik mijn kind ter wereld brengen'', zegt ze met een hand op haar schort.

Maar het nest van Aiza is nog niet veilig. Het plafond moet gestut, het gat in de muur dichtgemetseld, en de deur met metaal verzwaard, zodat ze zich kan weren tegen Russische soldaten die op het nabije stationsplein hun blokpost hebben. ,,Het zijn mijn klanten, ja. Maar als ze dronken zijn, worden het beesten. Dan schieten ze op alles wat beweegt.'' Uit angst voor de `jacht op terroristen' laat haar man zich voorlopig nog niet in Grozny zien: hij is achtergebleven in het dorp Zjalki – ondergedoken.

Als getuige van datgene waaraan Grozny (wat `afschuwelijk' betekent) zijn naam te danken heeft is Aizja's buurvrouw van twee portiekjes verderop verschenen. Deze Zara Labazanova heeft de oorlogswinter in een kelder doorgemaakt. Zonder haperen noemt ze de namen van de buren die het niet hebben gehaald. Zefir, Kazbek, Foead. ,,En dit is wat we op de binnenplaats hebben gevonden'', zegt ze. In haar hand houdt ze een schedel met harige plukjes huid eraan. ,,Ik denk dat het een meisje was, zulke lange haren.'' Om te voorkomen dat de honden het aanvreten, zegt ze, bewaart Zara de behaarde scalp op een bovenverdieping.