Freud 2

Donderdagavond 13 april was ik naar een aardige avond in de aula van de Universiteit van Amsterdam. Het was de twintigste en laatste Duijker-lezing onder de titel De Omstreden Erfenis van Freud. Oorspronkelijk was het de bedoeling van de organiserende psychologen om de avond te noemen `Heeft Freud nog een Verleden', maar dan wilde de hoofdspreker, mevrouw H.C. Halberstadt-Freud, niet meer meedoen.

Mevrouw Halberstadt gaf een boeiend klinisch verhaal over de psychoanalyse zoals die nu beoefend wordt De kern ervan bestond uit de weergave van de behandeling van een man die als jongen zijn vader in een tien jaar lang coma had moeten meemaken. Zelf was hij er dooiig onder geworden. Een vis à vis behandeling had hem toegang tot zijn rouw, verdriet en boosheid gegeven, waardoor hij tot meer leven en tot een beter huwelijk kwam.

Martin van Amerongen hield een betoog zoals van hem verwacht kon worden. Centraal stonden daarin twee niet-klinische boeken van Freud: Der Witz und seine Beziehung zum Unbewuszten en Der Mann Moses und die monotheistische Religion. Met de hem kenmerkende ironie hield hij een vlammend betoog dat als centrale stelling had dat de haat die Freud tot heden ten dage ten deel valt een forse antisemitische ondertoon heeft. Ironisch en zeer Freudiaans is dat door die voortdurende bestrijding Freud tot vandaag de dag, honderdvijftig jaar na zijn geboorte en zestig jaar na zijn dood, een relevantie heeft gekregen die uniek is.

Tenslotte kwam Jaap van Heerden. Hij tamboereerde op Freuds symboolleer en maakt daar een karikatuur van. Natuurlijk is een droom over de Eiffeltoren niet per definitie een droom over een penis. In het psychoanalytisch proces krijgt de droom zijn betekenis. Hij kan staan voor een vacantiereisje, begin van een romance of ruzie. Daarbij gaat het niet om `de waarheid', maar om een op dat moment zinvolle betekenis. Droomlijstjes met links het symbool en rechts het gesymboliseerde behoren niet tot het levend analytische erfgoed. Ik ben nu vijf jaar hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Psychoanalyse en in al die jaren is in dat blad nog nooit een artikel over de symboolleer gepubliceerd of zelfs maar aangeboden.

Een zelfde type beschrijving kan gegeven worden voor het dagelijks gebruik van het zogenaamde verdringen, ook dit weer een begrip uit de vroege Freud en slechts zeer specifiek gebruikt in de hedendaagse psychoanalyse. Het is een verwarrend begrip, dat nu voornamelijk staat voor een van de afweermechanismen en dat in eerste instantie door Freud gebruikt werd als pars pro toto voor het onbewuste.

Ik vind het teleurstellend dat NRC Handelsblad ervoor kiest om in haar bijlage Wetenschap en Onderwijs van het drieluik van die avond de bijdragen van de twee participanten die wat positiever gestemd waren over de psychoanalyse en Freud weg te laten en Van Heerdens bijdrage als dè Duijker-lezing te presenteren. Ik hoop dat daar geen wetenschapspolitieke bevooroordeeldheid achter zit.