Fiscus geeft en neemt rente

Sommige mensen stellen het indienen van hun aangiftebiljet uit tot het laatste moment. Dat kan een rentevoordeel opleveren. In andere gevallen kan een fikse rentenota van de fiscus de pret bederven. Wie de goede weg bewandelt, kan deze zogenoemde heffingsrente vaak flink beperken.

Het insturen van het aangiftebiljet inkomstenbelasting vóór 1 april leidt tot een snelle afrekening van de belasting. Voor sommigen gaat het om een belastingteruggaaf. De fiscus betaalt dan bovendien een rentevergoeding. Mensen met neveninkomsten, waaronder een auto van de zaak of gewoon een bijbaantje, lopen de kans belasting te moeten bijbetalen. De situatie is dan omgekeerd: naast de aanslag voor de neveninkomsten stuurt de fiscus een rentenota. Die compenseert de renteschade die de schatkist heeft geleden. Deze rente, de zogenoemde heffingsrente, staat op het aanslagbiljet, Naarmate de inspecteur de aanslag later oplegt, stijgt het bedrag aan heffingsrente.

Voor het rentepercentage maakt het niet uit of men heffingsrente ontvangt of moet betalen. De rente is overigens vrij laag; op het ogenblik 2,75 procent. Een bank berekent een veel hoger percentage, zodat het voor mensen met bijverdiensten voordelig kan zijn het indienen van hun aangiftebiljet zo lang mogelijk uit te stellen. Bovendien is de berekende heffingsrente in het jaar van betaling aftrekbaar. Dat geldt alleen als de totale dat jaar betaalde rente (exclusief hypotheekrente) minder is dan 5.291 gulden (voor gehuwden 10.582 gulden). Boven die bedragen kan men doorgaans geen rente aftrekken, met uitzondering van hypotheekrente voor het eigen huis.

Het systeem is simpel en redelijk. In de praktijk kunnen toch wat wrange kantjes naar voren komen bij mensen met een wat ingewikkelder aanslag. Bij hen legt de inspecteur niet meteen de definitieve aanslag over het betrokken jaar op. Eerst krijgen ze een voorlopige aanslag die doorgaans helemaal uitgaat van de aangifte. Daarover vindt de eerste renteberekening plaats.

De inspecteur heeft vervolgens de gelegenheid op een later moment eens goed naar het aangiftebiljet te kijken. Het kan zijn dat hij uiteindelijk andere opvattingen heeft over de verschuldigde belasting dan degene die de aangifte indiende. Misschien heeft hij een fout in de aangifte ontdekt, maar het kan ook gaan om een verschil in de interpretatie van een wetsbepaling. Het kan zelfs zo zijn dat de belastingbetaler de wet bij het indienen van de aangifte overeenkomstig de heersende leer interpreteerde terwijl de rechtspraak ten tijde van het opleggen van de aanslag een andere weg heeft gekozen. In al deze gevallen berekent de inspecteur bij zijn aanslag rente over het bedrag van de ophoging van de aanslag.

Voor de belastingbetaler die naar het moment van de aangifte gemeten alles goed heeft gedaan, geldt geen verzachting. Die is er al evenmin voor de situatie waarin de inspecteur laks is geweest en jaren heeft getreuzeld met het opleggen van de aanslag. Dat kan kostbaar uitpakken als de inspecteur niet alleen lang doet over het opleggen van de aanslag maar ook over het afhandelen van eventuele bezwaren daartegen. Een hoog opgelopen rentebedrag komt na 1 januari 2001 helemaal hard aan. Op die datum vervalt de mogelijkheid die rente geheel of gedeeltelijk als aftrekpost op te voeren.

Wie dat soort verrassingen wil voorkomen, kan verschillende wegen bewandelen. Het ligt het meest voor de hand een reële schatting van het inkomen te doen als de fiscus daarom vraagt; bijvoorbeeld als men uitstel voor de aangifte vraagt. Dat biedt geen oplossing voor inkomensposten die men fiscaal verschillend kan beoordelen. Juist die kunnen leiden tot een jarenlange strijd met uiteindelijk een hoog, niet gematigd rentebedrag. De onredelijkheid die daarin kan schuilen kan men afwenden op een nauwelijks bekende manier. Men vult op het aangiftebiljet de inkomenspost die naar eigen inzicht onbelast is, niet in. Op een afzonderlijke bijlage bij het biljet noemt men de post wel. Op die bijlage maakt men voorts een berekening van het belastbare inkomen voor het geval die post wel belast zou zijn. Is sprake van een aftrekpost, dan is de route omgekeerd: op het aangiftebiljet voert men de aftrekpost op; op de bijlage licht men dit toe en herrekent men de belasting bij niet toepassing van de aftrekpost.

De Belastingdienst kan in beide gevallen bij het opleggen van de voorlopige aanslag kiezen uit twee berekeningen. Om het simpel te houden, gaat de fiscus waarschijnlijk klakkeloos uit van de opgave op het aangiftebiljet. Waarschijnlijk neemt de inspecteur niet eens de tijd de bijlage te lezen. Dat doet hij pas later. De Hoge Raad vindt het prima als de fiscus uit een oogpunt van efficiëntie voor die gang van zaken kiest. Maar dat heeft gevolgen als de inspecteur later een hogere aanslag oplegt. De extra renteberekening is dan uit den boze. Het staat immers vast dat de belastingbetaler al bij het indienen van de aangifte alle gegevens en berekeningen op tafel heeft gelegd die de fiscus nodig had om zonder moeite de aanslag op de uiteindelijke hoogte vast te stellen. In dit geval ziet de Hoge Raad de inspecteur als de verantwoordelijke voor de te lage voorlopige aanslag. Daarom mag hij de betrokken rente niet in rekening brengen. In een van de laatste berechte gevallen ging het om een rentebedrag van 25.000 gulden.

    • Aertjan Grotenhuis
    • Kees van Hooft