Een muur om de veteranen

Amerikaanse militairen die terugkwamen uit Vietnam werden vaak met de nek aangekeken. Hun leeftijdgenoten hadden de dienstplicht ontdoken en tegen de oorlog gedemonstreerd. Ze verachtten de arbeiders- zonen die de oorlog hadden gevoerd. `We herinnerden hun aan een schuldgevoel.'

Met politiek had Paul Chevalier zich nooit ingelaten. Hij was een marinier. Drie keer in Vietnam geweest. Toen hij de eerste keer van het oorlogsgebied thuiskwam, in 1964, werd hij nog geïnterviewd door het lokale radiostation in zijn woonplaats in Massachusetts. De tweede keer, in 1966, was het onthaal aanmerkelijker koeler. Amerika voerde zware bombardementen uit, en in Amerikaanse steden en op campussen van universiteiten werd al tegen de oorlog gedemonstreerd. De derde keer dat Chevalier thuiskwam uit Vietnam, in 1969, was de ontvangst ronduit vijandig.

,,De militaire top had besloten dat we in onze burgerkleren op het vliegveld moesten aankomen'', herinnert hij zich. ,,De demonstranten stonden ons daar op te wachten. We werden gezien als misdadigers.''

Chevalier herinnert zich het einde van de Tweede Wereldoorlog nog. ,,Toen de oorlog voorbij was hingen de mensen de vlag uit en dansten ze op straat. Alle veteranen werden als helden onthaald.'' Maar in Vietnam hadden de Amerikanen verloren. En dat niet alleen: Amerika was diep verdeeld over de oorlog. ,,Een deel van het land keek neer op de veteranen. We hadden gevochten voor ons land, maar toen we terugkwamen werden we afgewezen door onze eigen mensen.''

De meeste Vietnam-veteranen spraken maar zo min mogelijk over de oorlog. Het was te pijnlijk. Ze waren verward en verbitterd. Ze hadden het gevoel dat ze tóch niet begrepen werden, laat staan gerespecteerd. Vietnam was geen oorlog om herinneringen over op te halen. Maar de oorlog vergeten kon ook niet. De gruwelijke nachtmerrie had twee miljoen Vietnamezen en 58.000 Amerikanen het leven gekost. De strijdkrachten waren gedemoraliseerd, het vertrouwen in de politiek was ondergraven. Het bittere debat over de oorlog had een diepe kloof geslagen in de Amerikaanse samenleving. Veel veteranen hadden het gevoel dat zij van het hele drama de schuld kregen.

Chevalier woont in New Hampshire, de deelstaat die zo'n belangrijke rol speelt in Amerikaanse voorverkiezingen. Maar hij heeft zich altijd verre gehouden van politici die er campagne komen voeren voor het presidentschap. Tot vorig jaar, toen de Republikeinse senator John McCain zich kandidaat stelde, een veteraan en voormalig krijgsgevangene.

,,In ieder zaaltje waar McCain sprak vroeg hij eerst de veteranen van de Tweede Wereldoorlog om op te staan, en daarna de veteranen van Korea, en daarna de veteranen van Vietnam. En hij bedankte hen dat ze hun vaderland hebben gediend. Iedere keer was het geweldig ontroerend. Het was een belangrijk gebaar – belangrijk voor de veteranen, maar ook voor het land.'' Chevalier nam de leiding op zich van een grootscheepse – en succesvolle – campagne om de veteranen in New Hampshire over te halen om op McCain te stemmen. Hij is diep teleurgesteld dat zijn kandidaat het elders in het land uiteindelijk afgelegde tegen George W. Bush. Zoals veel zonen uit welgestelde families wist Bush aan de Vietnam-oorlog te ontkomen door zijn dienstplicht binnen de landsgrenzen te vervullen bij de National Guard.

De Tweede Wereldoorlog bracht Amerikanen van heel uiteenlopende sociale achtergronden in de strijdkrachten samen. De last van de dienstplicht was min of meer gelijk over de sociale klassen verdeeld. Maar tijdens de Vietnam-oorlog was dat heel anders: armere en minder goed opgeleide Amerikanen waren sterk oververtegenwoordigd in de strijdkrachten en brachten ook veel zwaardere offers in mensenlevens. Niet meer dan 19 oud-studenten van Harvard kwamen om in de hele Vietnam-oorlog, veel middelbare scholen in arbeidersbuurten hadden meer doden te betreuren.

Fascist

,,De welgestelden zijn hun verplichtingen niet nagekomen'', zei McCain eens. Dat Amerika's elite het vechten en sterven overliet aan de minder bevoorrechten, noemde hij ,,de grootste misdaad en onrechtvaardigheid van de Vietnam-oorlog.'' Dat is sterke taal, maar veel veteranen delen die opvatting. Goed opgeleide Amerikanen lieten anderen het vuile werk opknappen, stelt James Webb (veteraan, schrijver en voormalig minister van de marine), maar dat verlost hen nog niet van hun verantwoordelijkheid voor de oorlog.

Webb acht hen indirect zelfs mede-verantwoordelijk aan het bloedbad bij My Lai, een dorpje waar een Amerikaanse eenheid op 16 maart 1968 de hele ongewapende bevolking van honderden mannen, vrouwen en kinderen afslachtte. De eenheid werd aangevoerd door de meedogenloze en bepaald niet slimme luitenant William ,,Rusty'' Calley, een man die het in andere omstandigheden nooit tot officier had geschopt. Alleen omdat intelligentere en bekwamere tijdgenoten manieren hadden gevonden om Vietnam te vermijden, stelt Webb, had Calley op die fatale dag de leiding over een peloton infanteristen. ,,De mensen die naar die scholen gingen – Harvard, MIT, noem maar op – waren daarom collectief verantwoordelijk voor William Calley.''

Als een van de weinigen van zijn generatie heeft de vooraanstaande journalist James Fallows openlijk erkend dat hij zich schuldig voelt over de manier waarop hij onder de dienstplicht uitkwam en anderen in zijn plaats naar Vietnam liet gaan. In een artikel met de kop What Did You Do in the Class War, Daddy? beschreef hij in 1975 hoe hij tijdens zijn laatste half jaar op Harvard flink vastte, waardoor zijn gewicht onder het minimum van de militaire keuring kwam. Fallows en zijn linkse vrienden hadden niets dan minachting voor de arbeiderszonen die wèl hun dienstplicht vervulden en vochten in Vietnam.

Overigens waren het lang niet alleen linkse studenten van die befaamde universiteiten aan de oostkust die onder uitzending naar Vietnam uitkwamen. Ook conservatieve vóórstanders van de oorlog drukten zich in groten getale: Newt Gingrich, Phil Gramm (die later senator werd), Dan Quayle (vice-president) en William Bennett (de Republikeinse huismoralist) bleven bijvoorbeeld allemaal thuis.

De bitterheid van de veteranen daarover is in de afgelopen 25 jaar wel iets gesleten, maar niet verdwenen. ,,Er staat een muur van tien mijl hoog en vijftig mijl dik tussen hen die gegaan zijn en hen die niet gegaan zijn'', zei een zwaargewonde veteraan eens tegen de schrijver Robert Timberg. ,,En die muur zal altijd blijven bestaan.''

Louis Marano kan erover meepraten. Sinds hij in 1969 terugkwam uit Vietnam heeft hij keer op keer ervaren dat louter de aanwezigheid van veteranen mensen uit zijn omgeving vaak al een ongemakkelijk gevoel geeft. ,,Ons bestaan maakt onze generatiegenoten bewust van hun schuldgevoel'', zegt hij. Hij ging studeren, maar voelde zich buitengesloten. Hij werd een fascist genoemd, en iedereen keek de andere kant op.

Toen hij later solliciteerde naar een baan aan de universiteit, raadde een hoogleraar die het beste met hem voor had hem aan om zijn militaire dienst in Vietnam maar uit zijn curriculum vitae te schrappen. Hij ging wonen bij een indianenstam in Canada – waar hij veldwerk deed als antropoloog en het gevoel kreeg dat de indianen de enigen waren die hem zijn militaire dienst niet kwalijk namen. Nu werkt hij als journalist voor het persbureau UPIWashington, waar hij zo nu en dan nog steeds op groot onbegrip voor de veteranen stuit.

Dinsdag zat Marano in de zaal bij een discussieforum van de Brookings Institution, een denktank in Washington. Een panel, bemand door journalisten en deskundigen (geen van hen Vietnam-veteraan), sprak over de betekenis van de Vietnam-oorlog voor de Amerikaanse samenleving en politiek. Verschillende leden van het panel spraken hun bewondering uit voor John McCain, die ondanks zijn ruim vijf jaar in krijgsgevangenschap niet verbitterd is geraakt door de oorlog. ,,Veel mensen dachten: als hij ermee kan leven, waarom zou ik het dan niet kunnen?'', zei Mary McGrory, columnist van The Washington Post.

Omdat, zei Marano toen er gelegenheid was om vragen te stellen, de woede van McCain zich richt op de Vietnamezen die hem gemarteld hebben en niet op zijn eigen landgenoten. Toen McCain terugkwam naar Amerika was hij een held. Nog jaren bleef hij bij de marine, waardoor hij niet in een omgeving hoefde te werken waar men zijn verleden immoreel vond. ,,Hij werd niet uitgescholden en beschimpt door zijn landgenoten, zoals veel andere veteranen'', zei Marano rustig. Wie die ervaring wel heeft gehad, was zijn punt, stapt minder makkelijk over zijn bitterheid heen.

Jane Fonda

Het was alsof de muur van tien mijl hoog en vijftig mijl dik opeens zichtbaar werd tussen Marano en de deskundigen op het podium. De journalist David Halberstam, die de oorlog voor The New York Times versloeg, beet de veteraan fel toe dat hij niet begreep waarom de man de wreedheden die McCain had moeten doorstaan probeerde te kleineren. Alsof Marano zoiets had gedaan. Kennelijk begreep Halberstam nog steeds niet waarom de herinnering aan Vietnam voor veel veteranen zo pijnlijk is: niet alleen omdat de oorlog een fiasco was, omdat er zoveel mensen gesneuveld zijn en gewond zijn geraakt, maar ook omdat ze zich in de steek gelaten voelden toen ze hulpeloos en kwestbaar uit de hel van Vietnam terugkwamen naar huis.

Maar hoeveel oud zeer er ook is, in de loop der jaren zijn veel veteranen anders tegen de oorlog, en hun rol daarin, gaan aankijken. Bernie McDermott praatte eigenlijk nooit over Vietnam. Tot zijn zoon, veertien jaar oud, hem eens schuchter kwam vragen of hij niet een keer op school over zijn ervaringen wilde komen praten. Ze waren in de klas een boek met oorlogsverhalen aan het lezen, het prachtige The Things They Carried van Tim O'Brien. Wilde zijn vader niet eens komen vertellen of dat boek een goed beeld gaf van hoe het was in Vietnam? Diezelfde nacht nog las McDermott het boek uit. Hij vertelde de klas van zijn zoon hoe hij aankeek tegen de oorlog, hoe hij sindsdien zelf veranderd is en hoe Amerika veranderd is.

,,We vroegen ons als jonge militairen niet af of de oorlog rechtvaardig was of niet'', zegt hij nu. ,,We waren erin verwikkeld en vonden dat we het dus tot een goed einde moesten brengen. Terugkijkend zeg je: dat was dom. Ik heb gruwelijke dingen meegemaakt. Ik heb gezien hoe absurd het leger functioneerde, hoe bureaucratisch de oorlog werd gevoerd, hoe we jarenlang vochten met één arm op onze rug gebonden. Maar je gehoorzaamde, want is ons land zó niet groot geworden? En eer was toen belangrijk. Naar Canada gaan om onder de dienst uit te komen was voor mij geen optie. Ik wilde dat niet als een levenslange schande met me meedragen.

,,Nu vind ik onafhankelijk goed, en niet oneervol. Als mijn zoon bij het leger gaat, zou ik daar heel droevig over zijn. Al besef ik dat er altijd mensen voor het leger nodig zullen zijn. Maar wij Amerikanen moeten niet de politieman of de vredesbewaarder van de wereld willen zijn.

,,Toen de laatste Amerikanen 25 jaar geleden met helikopters uit Saigon vluchtten, dacht ik: wat een totale verspilling, alles is voor niets geweest. Maar misschien heeft die vreselijke oorlog toch nog iets goeds opgeleverd. Vietnam heeft ons er ten minste van weerhouden om ons in andere wespennesten te mengen. We hadden wel in tien kleinere Vietnams verzeild kunnen raken.

,,En hoe ik over de anti-oorlogsactivisten van toen denk? Jane Fonda haat ik nog steeds. Maar meningsverschillen, ook grote, wezenlijke meningsverschillen, zie ik niet meer als een schande. Now, it's honorable to have discord.''

Ik zag gruwelijke dingen, maar gehoorzaamde. Want is ons land zó niet groot geworden?