Een mascotte met een sik

De Amerikaanse regering vreesde een communistische expansie in Zuidoost-Azië. Ze stak tweehonderd miljard dollar in de oorlog in Vietnam en wakkerde de populariteit van Ho Chi Minh alleen maar aan.

Er zijn vooral bejaarde Vietnamese vrouwen in het mausoleum van Ho Chi Minh in Hanoï. Ze kijken naar het wassen gezicht van de leider. Een gezicht dat niet verschilt van de portretten van de vader des vaderlands waarmee heel Vietnam sinds 1975 vol hangt. De aanblik van Bac (oom) Ho van zo dichtbij wordt een vrouw teveel. Huilend laat ze zich vallen in de armen van de vrouwen die achter haar staan.

In de ogen van de Amerikaanse presidenten – van Eisenhower tot en met Nixon – was Ho Chi Minh een ooit levensgevaarlijke communist. Een stroman van China en de Sovjet Unie, zo meenden ze. Ho Chi Minh – `Ho die verlicht' – noemde zich zo, sinds hij rond 1940 de identiteitspapieren van een dode Chinese zwerver met die naam op de kop wist te tikken.

De Amerikaanse inlichtingendiensten wisten dat Ho zijn opleiding in marxisme en leninisme in Moskou had gekregen en waren ervan overtuigd dat hem daar de opdracht was ingeprent om het wereldcommunisme een basis te geven in Vietnam. En omdat volgens het Amerika van toen elk land in Azië hetzelfde was, zou natie na natie omvallen en, net als Vietnam, rood kleuren. Daarna zou de aanval op de Verenigde Staten worden geopend, tenzij Amerika het omvallen kon voorkomen.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Foster Dulles ontvouwde deze dominogedachte in 1950 en liet geen ruimte voor nuancering. Het waren de dagen van de communistenjachten van senator McCarthy. Dat het communisme in Azië meer het karakter had van een vrijheidsstrijd om los te komen van westerse koloniale overheersers, was niet aan het Amerika van toen besteed. Ieder communisme werkte als een rode lap op de stier Amerika.

In de Aziatische landen waar Amerikanen gewapenderhand het communisme bestreden, Korea en Vietnam, blijken vijftig jaar later de strengste vormen van communisme te hebben postgevat. Vietnam is tegelijk het land dat, met onder meer een verlies van naar schatting eenvijfde van de bevolking, zwaarder dan enig ander land in de geschiedenis is getroffen door de agressie van één andere staat, Amerika. Dat stak tweehonderd miljard dollar in die oorlog en verloor.

De inname van Saigon door het Noord-Vietnamese leger op 30 april 1975 was het daverende slotakkoord van de oorlog die door Vietnamezen de `Amerikaanse oorlog' wordt genoemd. Om half elf 's ochtends werd op het dak van het presidentiële paleis een rode lap met een gele ster gehesen en sindsdien wappert er de Vietnamese vlag. Een paar honderd meter verder maakten Amerikanen en Zuid-Vietnamezen zich met helicopters vanaf het dak van de toenmalige Amerikaanse ambassade uit de voeten. Op de vlucht voor de overwinnaars die, zoals een Amerikaanse militair het uitdrukte, een land hadden herenigd dat terug in het Stenen Tijdperk was gebombardeerd.

De verleiding is groot om een verband te zien tussen de wijze waarop Vietnam is getroffen door de oorlog en de geslotenheid van het huidige communistische regime. Het was een oorlog die volgens de Amerikaanse historica Barabara Tuchman het resultaat was van `zelfhypnose' van Amerikaanse zijde. In haar bestseller die in de Nederlandse vertaling `De mars der dwaasheid' heet, toont ze aan dat er geen reden was bang te zijn voor het rode gevaar dat vanuit de Sovjet Unie, via China en Zuid-Oost Azië Amerika zou bedreigen. De opeenvolgende Amerikaanse regeringen waren blind voor de feiten. Zelfhypnose, aldus Tuchman, ging in 1956 over in zelfverraad toen de hoeder van democratie vrije verkiezing in Vietnam annuleerde omdat de verkeerde man, Ho Chi Minh, zou gaan winnen.

Maar diezelfde Ho toonde geen spoor van ambitie om met het communisme de hele wereld te veroveren. ,,Als Vietnam onafhankelijk is van Frankrijk, kan ik sterven'', zou Ho hebben gezegd, ,,communisme is mijn doel niet.'' Vietnam was louter met zichzelf bezig. De door Amerika als communisten getypeerde verzetstrijders noemden zichzelf niet voor niets op de eerste plaats nationalisten.

In zijn boek, `Zuidoost-Azië, een eeuw van onvervulde verwachtingen' schrijft de Nederlander Jan Pluvier, oud-hoogleraar Moderne Aziatische geschiedenis, dat Ho Chi Minh, nadat hij in 1945 de onafhankelijke Democratische Republiek Vietnam had uitgeroepen, niet (overging) tot sociaal-revolutionaire of anti-kapitalistische hervormingen. Hij wilde zo `de eenheid van het volk in al zijn geledingen bewaren'. Vrijheid van godsdienst en gelijkheid van vrouwen en minderheden werden gegarandeerd.

Ho Chi Minh vroeg rond die tijd acht keer in vijf maanden om politieke en financiële steun van Amerika waarbij hij steeds refereerde aan zijn onafhankelijkheidsstrijd in de achttiende eeuw. Maar die toenadering werd nooit beloond.

Nu wapperen in Vietnam overal rode vlaggen en hangt Ho in elk openbaar gebouw. Voorzichtig opende het land zich een jaar of tien geleden voor het zo verfoeide kapitalisme onder druk van vernieuwende communisten. Er kwamen buitenlandse investeerders en even groeide de economie als kool. Maar toen in 1998 Vietnam net als alle landen in de regio slachtoffer werd van de Aziatische crisis, ging de deur weer dicht.

De bejaarde leiders – bij wie de oorlog nog vers in het geheugen ligt – grepen terug op de orthodoxe communistische leer. De buitenlandse bedrijven trokken weer weg, teleurgesteld in de inflexibiliteit, de corruptie en de ongekende bureaucratie van het communistische Vietnam.

En de Vietnamese bevolking? Meer dan de helft is geboren na 30 april 1975. ,,Ho no good'', schreeuwt de bestuurder van een scootertaxi naar zijn passagier achterop, als hij langs standbeeld van Ho Chi Minh in de naar hem genoemde stad rijdt.

Maar ook voor de Vietnamezen die de oorlog meemaakten, betekent Ho Chi Minh niet meer dan een decorstuk met een sik. De vrouw die in huilen uitbarst bij de aanblik van de dode leider komt een paar minuten later het mausoleum weer uit. Aan niets is te zien dat ze het kort daarvoor te kwaad had. Het is alsof haar huilbui een verplicht nummer was. Een toneelstukje waarbij het lijk van de man die dertig jaar lang het symbool was van Vietnamese onverzettelijkheid, niet meer is dan een mascotte. De Che Guevara van Azië.