De verdwenen Romeinse machines

De Romeinen waren niet alleen uitstekende wetgevers en militairen, maar ook prima technici. Dit blijkt uit de Homo Faber-tentoonstelling in het Deutsches Museum in München. Het museum toont Romeinse gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven, die overal zijn vernietigd of zoekgeraakt behalve in Pompeï en Herculaneum. Twee keer is Pompeï getroffen: in 62 na Chr. door een aardbeving en op 24 augustus anno 79 door een fatale vulkaanuitbarsting. De herbouw van de stad was toen nog in volle gang, zodat zich veel werklieden met hun gereedschappen en werktuigen in de stad bevonden.

Een voorbeeld van Romeins technisch vernuft op de tentoonstelling in München is het model van het `Castellum aquae' (in het Frans heet zo'n watertoren nog steeds een 'chateau d'eau'). Hier kwam het water over een aquaduct Pompeï binnen in een overkoepelde ruimte waar het werd gezuiverd en via kleppen, filters, kranen, sifons en pompen werd verdeeld over openbare bronnen en gebouwen en tegen betaling over bedrijven en woningen. De afmeting van de douches was daartoe wettelijk vastgesteld. Onaanzienlijke kleppen en leidingen vormden onderdeel van een uitgestrekt distributienet onder beheer van ambtenaren die ook met de afrekening belast waren.

Een heel ander voorbeeld van technische kunnen is de beker van obsidiaan (vulkanisch glas) met een doorsnede van ruim 18 centimeter. Samen met de oren is hij uit een massief blok geslepen, zoals de slijpsporen binnenin tonen. Daaruit blijkt, dat de Romeinen diamantboren moeten hebben gehad, maar die zijn nog nergens teruggevonden (of niet als zodanig herkend).

Weer een ander voorbeeld van de Romeinse technische capaciteiten is de reconstructie van een `groma', een vizier voor het meten van land, die eruit ziet alsof hij zo uit de kelders van de Topografische Dienst komt. Er is een uniek exemplaar teruggevonden in een smidse, waar het waarschijnlijk ter reparatie heeft gelegen. Het instrument bestaat uit een beukenhouten stok met een stalen punt en bovenaan een draaibare arm. Daarop zit een draaibaar vierkant kruis. Aan die armen hangen gewichten in de vorm van dierfiguren aan koordjes. De landmeter stak de punt in de aarde en draaide het kruis totdat twee koorden elkaar dekten. In het verlengde daarvan werden vervolgens richtpalen gezet tot men een `centuriae', ongeveer 2400 voet van 29,5 centimeter, afgelegd had. Vervolgens werd een hoek van 90 graden gemeten en weer 2400 voet afgelegd, zodat een oppervlak ontstond gelijk aan wat een span ossen op een dag kon bewerken.

Maar wat wisten en konden de Romeinen nu werkelijk? Op een symposium van archeologen en technici in het Deutsches Museum noemde prof.dr. Jürgen Renn van het Max Planck-Instituut voor Wetenschapsgeschiedenis in Berlijn het voorbeeld van de snelweegschalen met een korte en een lange arm waarvan er op de tentoonstelling enkele te zien zijn. Het te wegen voorwerp wordt aan de korte arm gehangen en met een verschuifbaar gewicht aan de lange arm in evenwicht gebracht. ``Dat gebeurt in Zuid-Italië op de markt nog steeds en gaat veel vlugger dan met een balans. Kenden Pompeïaanse handwerkslieden de hefboomwet? De bij de vervaardiging van deze snelwegers vereiste praktijkkennis was mogelijk van een andere aard dan wij op grond van onze kennis van de wetenschappelijke mechnica veronderstellen'', aldus Renn. ``Welk weten en kunnen steekt hierachter?''

Na opgraven en restaureren van vondsten is het reconstrueren van geheel verdwenen machines en voorwerpen een volgende stap. Een voorbeeld daarvan is de door de Romeinse ingenieur Vitruvius beschreven en thans op halve grootte herbouwde hodometer die ook in München is tentoongesteld. De wieldiameter van deze ossenkar was zo ontworpen, dat hij na 400 omwentelingen een Romeinse mijl had afgelegd, ongeveer 1478 meter. De wielen dreven een tandrad aan, dat na iedere mijl een steentje in een bak liet vallen. Een andere reconstructie op halve grootte is de bouwkraan waarvan de resten gevonden zijn. De aandrijving geschiedde door slaven in een tredmolen. Dergelijke kranen kwamen in Europa in de loop van de middeleeuwen weer in gebruik.

Op het symposium stelde professor Vittorio Marchis van de Politecnico di Torino de vraag van de `The engine Lost', de verloren machine aan de orde. Volgens hem is de paradox van de Romeinse technologie dat er, ondanks de nauwkeurigheid van de producten, geen machines bestaan en bijbehorende technologieen. ``Grote systemen en fijnmechanica zijn niet alleen een paradigma van onze industriële samenleving, maar ook van die van de Romeinse'', aldus Marchis. ``Dat vereist een herbeschouwing van de beschaving van de eerste eeuw na Christus. Veel archeologische analyses zijn technologisch gezien onscherp.'' Archeologie heeft pas kort de waarde van chemische en metallurgische analyses ontdekt bij de bepaling van de oorsprong van ambachtelijke producten. ``Dat geldt ook voor technologie, want de Romeinen bereikten een peil, dat pas in de zestiende eeuw of later weer bereikt werd. Men moet de technologie van toen bekijken met de ogen van toen en in de toenmalige samenhangen.''

Het probleem is volgens hem, dat er van de Romeinse technologie weinig schriftelijke bronnen over zijn en dat veel gereedschappen, machines en andere dingen vernietigd zijn. En machines werden vanwege hun gewicht nooit per schip vervoerd en ze bevinden zich dus niet in de relatief ongeschonden bewaard gebleven Romeinse scheepswrakken. ``Met betrekking tot op de tentoonstelling getoonde kleppen in het drinkwatersysteem betekent dat een metallurgische analyse ons de koper- en loodmijn kan opleveren maar technologisch zou het interessanter zijn als we wisten hoe het ding werd gemaakt.''

Tot voor kort werd aangenomen, dat de Romeinen bepaalde dingen niet konden maken doordat ze niet over waterkracht zouden beschiken want de watermolen geldt als een veertiende eeuwse uitvinding. Marchis verwijst echter naar recente opgravingen in Frankrijk en nabij Rome, waar resten van watermolens zijn gevonden. ``Sporen van kennis liggen onontdekt in musea achter gebroken en verwarrende stukken metaal zonder duidelijke functie". Als voorbeeld noemt hij een grote klep in een Romeins scheepswrak die alleen gemaakt kan zijn met een draaibank met een diameter van ongeveer twintig centimeter. ``Het fabricageproces en de benodigde machines vormen daarom de sleutel voor het begrijpen van de samenhang waarin een vondst werd vervaardigd en gebruikt'', aldus Marchis.

`Pompeji. Natur, Wissenschaft und Technik in einer Römischen Stadt' Deutsches Museum (Museuminsel 1 D-80538 München, 00 49 89 2179-1) Dagelijks geopend, behalve Goede Vrijdag en 1 mei. Toegang 12 DM. In 1998 in Napels gehouden als 'Homo Faber', hierna in New York, Madrid en Tokio.