De dame in groen fluweel

Louis Wesseling was de president van Shell in Vietnam toen de oorlog daar op zijn hevigst was. Hij zag hoe het leger olie stal uit zijn fabrieken en doorverkocht aan de vijand. Hij werd verliefd op een oorlogsweduwe.

Wat kunnen mensen zichzelf soms mooi verraden. Louis Wesseling schreef een boek over oorlog en olie en corruptie, maar eigenlijk schreef hij een boek over zijn liefde voor Kim Chi. Kijk hoe hij haar op bladzijde 26 introduceert, als hij schrijft over het welkomstdiner dat voor hem wordt gehouden op zijn eerste avond in Saigon. Het is voorjaar 1972, hij is net benoemd tot chief executive van Shell Vietnam en zijn voorganger heeft voor hem vijftig belangrijke mensen uitgenodigd, de who is who van Zuid-Vietnam. De Amerikaanse ambassadeur. De chef van de CIA. De minister van Economische Zaken. De president van de Centrale Bank. De generaal van de Amerikaanse strijdkrachten. De voorzitter van het Hof van Justitie die, zodra hij binnen is, de laatste schandaaltjes begint te vertellen terwijl zijn vrouw – heavily made up and with a prominent bosom – trots naar hem opkijkt. Wesseling vertelt hoe ze binnenkomen en wat hun eigenaardigheden zijn, van de gouden brilletjes van de een tot de relativerende opinies over wat legaal is en wat net niet meer van de ander. Maar de avond begint pas, schrijft hij, met de binnenkomst van een dame in een groen fluwelen ao dhai, de strakgesneden jurk die bijna alle Vietnamese vrouwen dragen.

Even daarvoor heeft Wesseling al verteld dat een groot deel van de Vietnamese economie op vrouwen draait. Maar, schrijft hij, alleenstaande Vietnamese vrouwen, meestal oorlogsweduwen, vormen een superclass apart. Ze controleren het economische en het intellectuele leven. En ze zien er altijd uit als vijfentwintig, totdat ze hebben besloten dat ze dat niet meer zijn.

En nu haast zich daar de presidente van de Associatie van Oorlogsweduwen glimlachend het terras van zijn huis op, zich verontschuldigend dat ze zo laat is. Haar entree, schrijft Wesseling, heeft nogal een effect op de mannen in het gezelschap. Maar ze merkt het niet. Of ze doet alsof ze het niet merkt. De gastheer, Wesselings voorganger, buigt voor haar. De CIA-man wil haar per se een handkus geven. En de Amerikaanse ambassadeur zorgt ervoor dat ze rechts van hem aan tafel komt zitten.

Dat is Kim Chi.

Nee, wat hij zelf op dat moment voelt beschrijft hij niet. Wel, later, hoe hij erachter komt dat deze dame, die 's avonds bij haar thuis grote partijen geeft voor internationale beau monde, iedere ochtend vroeg haar klompen aantrekt en in haar Volkswagenbusje de stad uitrijdt om op het land te gaan werken. Ze heeft de grootste illegale varkensboerderij van Vietnam. Maar problemen heeft ze nooit, ze heeft een regeling met het leger en de CIA. Ze is de weduwe van een hoge Vietnamese officier en haar relaties zijn voor de Amerikanen heel bruikbaar.

Nog later beschrijft hij, tussen de verhalen over vredesonderhandelingen en zijn avonturen aan het front door, hoe hij op een avond bij haar op bezoek gaat, alleen, nadat hij heeft horen fluisteren dat zij haar grond laat gebruiken voor de overslag van gestolen olie voor de zwarte markt. Hoe zou zij zich anders haar luxe levensstijl kunnen permitteren?

Wesseling belt haar op en vraagt of zij iets weet van de vijftig ton olie die de nacht ervoor uit de Shellfabriek is verdwenen. Kim Chi vraagt ironisch waarom hij de politie niet heeft ingelicht. Dat helpt niet, zegt Wesseling. De diefstallen, vermoedt hij, worden gepleegd door militairen. En die verkopen de olie door aan de Vietcong. Kan Kim Chi, met haar connecties, niets voor hem doen?

Ligt eraan wat het jullie waard is, zegt ze.

I was now crossing an invisible line, schrijft Wesseling. Hij gaat een grens over. Hij zegt tegen Kim Chi: tien procent van de waarde van de teruggevonden olie. Waarop zij lacht, an appreciative chuckle, en zegt dat ze bereid is om de zaken te bespeken tijdens een diner bij haar thuis.

Zulke verhalen lees je niet zo heel vaak van Shellmensen.

En dan?

Kim Chi verschijnt aan tafel in een verblindend witte ao dhai met om haar hals een streng bloedkoralen. Ze vertelt dat het allemaal waar is wat hij denkt: de olie wordt gestolen door militairen die worden geholpen door Shellmensen. Maar zij heeft er al jaren niets meer mee te maken, zegt ze. En ga er niet te hard tegenin, zegt ze, want het wordt een bloedbad.

Wesseling gelooft haar. En aan het eind van de avond volgt hij haar door haar donkere huis naar een kamer met een rek vol geweren, waar een veldbed staat.

Hij was natuurlijk een male chauvinist, zegt hij. Maar in Vietnam veranderde dat. Hij zit, maandagmiddag, in het restaurant van het Amstel Hotel, met naast zich zijn derde, Engelse echtgenote. Hij vertelt over zijn vader, een advocaat, een ,,niet bange man'' die in de oorlog optrad tegen de Duitsers en daarvoor moest boeten in het concentratiekamp. Hij was godzijdank niet de oudste zoon, zegt hij. De druk op hem om te presteren was daardoor iets minder groot. Hij studeerde rechten in Leiden en werd – begin jaren vijftig, Koreacrisis – officier bij de Amerikaanse luchtmacht. Dat was een idee van zijn oudere broer die in Indonesië zat en tegen hem zei: de oorlog hier is verloren, doe wat anders. Wesseling ging in opleiding in de woestijn van Arizona. ,,We stonden voor de Amerikaanse vlag en de generaal zei: jullie zijn de voorhoede van de vrije wereld, van jullie hangt af hoe de oorlog zal aflopen.'' Hij vertelt het alsof het gisteren was. ,,Iedereen dacht dat Korea het voorspel was. De generaal zei: jullie zijn hier met driehonderd man, ik kan tien procent van jullie laten doodvallen, dat is mijn marge. En die marge gebruik ik ook, jullie komen hier niet allemaal levend uit. Hij zei: het goede nieuws is dat jullie met degenen die doodvallen ook nooit de oorlog in zouden willen.'' Wesseling vond het fantastisch.

Hij verliet de luchtmacht toen het duidelijk werd dat de Koude Oorlog niet in Europa zou worden uitgevochten – hij verloor zijn interesse. Hij ging naar Shell omdat hij overzees wilde werken, zegt hij. ,,En Shell was in die tijd het beste.'' Hij werd naar Afrika gestuurd en naar het Midden-Oosten en daarna, in 1972, naar Vietnam. Dat voelde hij als een promotie. ,,Ik dacht: nou begint het eindelijk. De oorlog werd daar uitgevochten. Dit is het belangrijkste conflict van de eeuw, dacht ik. Ik was er trots op dat ik er bij was.''

Hij bleef tot vlak voor de val van Saigon, 25 april 1975. Hij ging er weg als een ander mens. Maar niet alleen omdat hij gezien had hoe slecht de oorlog gevoerd werd. Het was ook om zijn gebroken huwelijk. ,,Ik liep rond in Den Haag, ik was gescheiden en ik begon me te verdiepen in wat ik had meegemaakt. Ik begon dingen anders te begrijpen. Ik zag ook dingen van mijzelf. Ik zag waar ik naïef was geweest.''

Hij ging pas schrijven toen hij bij Shell wegging, op zijn zevenenvijftigste, nadat hij nog een aantal jaren de chief executive van Venezuela was geweest. ,,Ik had na Shell ook het zakenleven in kunnen gaan, zoals de meesten doen. Dit was echt een keuze. Ik kon nog helemaal niet schrijven, ik moest het leren. Ik ben eerst door de fase van het romantiseren heen gegaan. Ik dacht dat ik zo alles beter van me zou kunnen afschrijven. Als je de werkelijkheid beschrijft, kun je mensen niet neerzetten zoals je ze echt ziet. Maar toen ik de eerste versie af had, zag ik dat het niet goed was. Dat het voor mij beter was om wél de werkelijkheid te beschrijven.''

Waarom wilde u het zo ontzettend graag?

,,In het begin, denk ik, omdat ik het spel wilde begrijpen waarin ik zo onwetend had meegespeeld. Maar ook voor mijn kinderen. Die hadden de scheiding maar moeilijk kunnen begrijpen. Ik wilde hen duidelijk maken wie ik was. De mens die ik was – die wilde ik laten zien. De versie van het boek waarmee ik naar mijn publisher ging was veel persoonlijker. Hij heeft zeker vijftig bladzijden geschrapt. Die gingen over mijn verleden, en over hoe het gezin door het Shell-leven kapot was gegaan. Mijn publisher zei: het is goed geschreven, maar je moet het er toch uitgooien.''

Wesseling lacht en kijkt naar zijn vrouw. ,,Wij zeggen tegen elkaar: als Tolstoj met `Oorlog en Vrede' naar mijn publisher was gegaan, dan was dat geen boek van veertienhonderd bladzijden geworden. En dan was het waarschijnlijk een beter boek geweest.''

Het is nog wel zo persoonlijk dat uw zwak voor vrouwen goed zichtbaar is.

,,Ja. Die heb ik daar pas gekregen. Mijn eerste vrouw was universitair gevormd. Die had misschien zelf iets willen opbouwen. Maar als ik zei: we gaan naar Afrika, dan gingen we naar Afrika. In Vietnam zag ik hoe vrouwen door hun werk de samenleving bij elkaar hielden. Daar raakte ik diep van onder de indruk. Alleen al om dat bij Kim Chi te zien. Hoe handig ze dat deed, hoe geraffineerd.''

Kreeg u een verhouding met haar?

,,Ja. Ik heb dat in het boek tamelijk kort gehouden. Zij had een grotere rol kunnen spelen. Haar voornaamste doel was, zoals bij alle vrouwen daar, om ervoor te zorgen dat haar familie kon leven. Ik was een bijfiguur voor haar. Ze had me misschien zelfs uitgezocht omdat ik belangrijk was in de economie van Vietnam. Ik maak me geen illusie dat ik enorm belangrijk was voor haar. Voor mij was zij een window op het leven in Vietnam. Door haar leerde ik alle Vietnamese generaal kennen. Ik zocht hen op aan het front.''

Wesseling had zijn boek `Saigon Markets' willen noemen. `Fuelling the War' komt ook van de uitgever. Daardoor lijkt het alsof het boek gaat over de olie die via de zwarte markt bij de Vietcong terechtkomt. Je denkt: Wesseling ontdekt dat en dan gaat hij er wat aan doen. Maar dat is niet zo. Wesseling had niet anders verwacht dan dat hij corruptie zou zien. Hij kwam uit Afrika. En hij deed wat Kim Chi hem aanraadde: een beetje bestrijden, maar niet al te fel. ,,Er was toch niets tegen te doen'', zegt hij.

En het was ook niet de bedoeling dat u het zou doorgeven aan het hoofdkantoor?

,,Zo zag ik dat. Op het hoofdkantoor wilden ze het niet weten. Maar dat werd natuurlijk nooit zwart op wit gezegd. Het was mijn zaak. En ik vind: als je in een land in oorlog olie verkoopt en de boekhouding klopt, dan ben je niet meer zo verantwoordelijk voor wat er daarna mee gebeurt. De Amerikanen zeiden: het is oorlog, we hebben die jongens nodig, we kunnen niet tegen iedereen optreden. En ik dacht: ik kan het wel tot een schietpartij laten komen, maar wat helpt dat? Dus ik waarschuwde de politie wel, maar in mijn eigen club zat er altijd wel iemand die dat dan doorgaf. Vannacht even niet, jongens.''

En als we in 1972 de Brent Spar al hadden gehad en als niet Gerrit Wagner maar Cor Herkströter de president van Shell was geweest, was het dan ook zo gegaan?

,,Dan had Shell zich waarschijnlijk teruggetrokken uit Vietnam. En dan was er op een andere manier olie gekomen, veel beroerder en corrupter dan onder mij. Veel dirtier. Ik dacht: dan maar beter mét mij. En ik voelde me gesteund door Gerrit Wagner en de zijnen. Kijk, niemand vindt het leuk om een oorlog te fuellen. Maar ik begreep wel dat ik hem niet over die dingen hoefde te vertellen. Hij zei: je krijgt geen nieuw geld, maar je doet het goed en we houden het zo. En zolang Wagner ergens geen nee tegen zei, nam ik aan dat het ja was.''

Hoe denkt u dat Shell nu op uw boek zal reageren?

,,Ik heb er al het een en ander op gehoord omdat ik het naar de redacties van Voeks Nieuws, Shell Venster en Shell World had gestuurd. Bij Shell Venster zeiden ze: we doen er niets mee, we plaatsen alleen dingen die in onze missie passen. Bij Shell World wilden ze er eerst wel wat mee doen. Ik kreeg een beroepsschrijver aan de lijn, die zei: niemand van Shell durft een review te maken, het is aan mij toegewezen, wil je horen wat ik geschreven heb? Zijn verhaal was nogal lovend. Maar later kreeg ik per email een heel benauwd briefje van hem. Hij schreef: ik heb het helemaal naar beneden moeten schroeven, het moest totaal vlak en neutraal zijn. Louis Wesseling, ex-Vietnam, heeft een boek geschreven.''

Waarom is het zo pijnlijk?

,,Ik weet het niet. Het ligt blijkbaar gevoelig, maar ik weet niet waarom.''

Echt niet?

,,Nou ja, ik heb je al verteld wat ik van de Brent Spar affaire vond. Als je met de beste universiteiten en met de Engelse regering overeenkomt om dat ding af te zinken omdat dat het veiligste en het goedkoopste is en je doet dat niet om de emotionele en achteraf onjuiste publieke reacties, dan val je uit je maatschappelijke rol. Dan laat je je partners en je eigen mensen die je hebben gezworen dat dit de beste oplossing is in hun hemd staan. Je maakt jezelf van een verantwoordelijke economische speler een onderafdeling van Greenpeace. Dat heeft Shell gedurende twee, drie jaar innerlijke schade en economische underperformance opgeleverd.''

Brent Spar wordt toch gezien als het schoolvoorbeeld van de grote onderneming die heeft leren luisteren naar de samenleving?

,,Shell heeft zich sinds Brent Spar een nieuw imago aangemeten, ja. En Herkströter is daar trots op. Ik heb zijn inaugurele rede niet gehoord. Maar ik kan hem zo opschrijven. Shell is sinds Brent Spar vriendelijker en politiek correcter geworden. En dat is ook het beeld dat mensen binnen Shell nu in alle eer en deugd van zichzelf hebben. Dus staan er in zo'n blad als Shell World allemaal sympathieke verhalen over de bomen die we planten in Brazilië en over windmolens en over Nigeria en hoe goed we daar zijn. Oorlog komt er niet in voor, zodat alle mensen binnen rustig kunnen denken: wij werken voor een vriendelijke maatschappij. Maar Shell kan niet honderd procent vriendelijk zijn en alle conflicten ontwijken en doen alsof ze politiek onwetend zijn. En dat is ook niet het beeld dat ik ooit van mijzelf gehad heb.''