Via stapstenen door de taal

Er wordt veel gedacht in het debuut van Victor Schiferli. Of beter: geredeneerd. Want al zijn `denken' en `gedachten' regelmatig terugkerende sleutelwoorden in Aan een open raam, Schiferli is geen filosoof. Daarvoor gaan zijn gedachten niet diep genoeg, is zijn onderwerp te alledaags. Van regel naar regel lijkt hij hooguit maar wat rond te tobben – steeds weer op weg naar een somber gelijk, zoals in het derde vers van de cyclus `Zonlicht in een lege kamer':

Geen omheining geeft steun, geen hek

staat om onze dagelijksheid, we kunnen

tweeduizend dingen zeggen en we

zwijgen.

We doen alsof er niets ernstigs is

maar falen elke dag zodat wij steeds

van verder naar elkaar terugkeren.

Deze illusieloze cirkelgang typeert de structuur en de toonzetting van vrijwel alle gedichten in Aan een open raam. Schiferli toont zich geen levensgenieter. Hij wil wel dromen, maar de werkelijkheid staat hem in de weg. Dat hij zich daarover steeds weer kan verbazen is de motor van zijn poëzie. Zijn werkelijkheidszin werkt ook relativerend, en dat geeft veel van zijn gedichten een onbezwaarde, rustig geluimde ondertoon. De enkele keer dat narrigheid de kop opsteekt lijkt hij op de puber die na een wandeling door Brugge verzuchtte: `Waar was die tocht nou eigenlijk voor nodig? We zijn gewoon weer op de plek vanwaar we vertrokken.' Een goed voorbeeld van Schiferli's tongue-in-cheek verwoorde teleurstelling is `Gezinsportret in de Alpen'. De formulering is sober, de toon berustend, maar in de subtekst wemelt het van emoties.

En zo stonden wij in de bergen,

opnieuw een foto, vanzelf afgegaan

terwijl wij keken. Wij waren:

een onbegonnen gezin dat bijna

weg was. Op de foto namen wij

een aanloop die werd vereeuwigd.

Wij sprongen daarna nog van rots

naar rots, hielden elkaar niet vast

en lieten los.

Zoals in al zijn gedichten gaat Schiferli ook hier via stapstenen door de taal. Van gedachte naar gedachte, maar in dit gedicht ook verbeeldend. In herkenbare, want concrete, werkelijk geziene beelden.

Bij herlezing wordt duidelijk dat Schiferli's poëzie ook waar ze in de eerste plaats `bedacht' lijkt, toch vooral door verbeelding gedragen wordt. Binnen en buiten, ideaal en werkelijkheid worden daarin steeds weer gespiegeld. En net als in zijn redeneertrant is ook in de verbeelding van deze dichter weinig plaats voor romantische dromen want, zo stelt hij in `Geen ballade' over `in zichzelf verkruimelende liefde': schoonheid is illusoir.

Schoonheid van verre en dan nog

ingebeeld

schoonheid nog verder nog dieper

ingebeeld

tot je alleen het beeld achtervolgt

Schiferli is dan ook geen Schöngeist. Daarvoor heeft hij, zeker als het over de liefde gaat, te weinig illusies. De flaptekst van zijn bundel beweert dat hij de liefde `van passie tot impasse' beschrijft, maar dat is niet meer dan reclametaal. Wie hartstocht zoekt kan beter poëzie van Pieter Boskma of Th. van Os lezen. Victor Schiferli is bovenal de dichter van de impasse.

Of dat voldoende is om straks, in juni tijdens Poetry International, de C. Buddingh'-prijs in de wacht te slepen, betwijfel ik. Marjoleine de Vos lijkt daarop meer kans te hebben. De poëzie van Schiferli is sympathiek, maar weinig dwingend – wat bij een onderwerp als impasse uiteraard wel past. De selectie had ook strenger gemogen; dertig in plaats van vijftig gedichten was voldoende geweest.

Dat neemt niet weg dat er in deze debuutbundel één vers staat dat naar de Parnassus reikt. Het is prachtig van taal, heeft een mooie ingehouden toon en een opgewekt besmuikte boodschap. `Zonnige wereld' heet het, en in die wereld is niet de tobber Schiferli aan het woord, maar de lyricus.

Ik schudde het slaappoeder uit mijn

nachthemd. Klom ik

het raam uit de dakgoot in kwam ik de

regen tegen –

zacht, warm, verbaasd, uit een hemel van

zoethout.

Waarschijnlijk wist ik niet wat ik

beginnen moest,

en het bleef stil; stil was het de ochtend

dat ik

uit het raam keek en niets dan blauw zag,

de uren niet verslapen kon, mijn droom

was geen droom,

want licht vulde mijn hemd en mouwen

en het hoofd en de armen die ik hief

bestonden

in de stille uren op een onbestaande

morgen

wakker in een lege maar zonnige wereld.

Victor Schiferli: Aan een open raam. De Arbeiderspers, 73 blz. ƒ29,90